maandag 28 januari 2019

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 16: Het laatste vaarwel

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 16
Het laatste vaarwel

Op de dag dat Pauline Moser naar het gesticht werd gebracht, hoorden we verschrikkelijk geschreeuw en een Iers meisje, slechts gedeeltelijk aangekleed, kwam wankelend als een dronkaard de gang binnen, schreeuwend: “Hoera! Hoera! Ik heb de duivel vermoord! Lucifer, Lucifer, Lucifer.” En zo ging het maar door en door. Daarna trok ze een handvol haren uit, terwijl ze juichend schreeuwde: “Hoe ik de duivels voor de gek heb gehouden. Ze zeggen altijd dat God de hel heeft gemaakt, maar dat is niet zo.” Pauline hielp het meisje de plek afschuwelijk te maken door de meest verschrikkelijke liedjes te zingen. Nadat het Ierse meisje er een uur of zo was, kwam dr. Dent binnen en terwijl hij de gang door liep, fluisterde juffrouw Grupe het gestoorde meisje toe: “Daar komt de duivel, pak hem.” Verbaasd dat ze een gestoorde vrouw zo’n aanwijzingen gaf, verwachtte ik dat het waanzinnige wezen zeker op de dokter af zou rennen. Gelukkig deed ze dat niet, maar ging ze door met het herhalen van haar refrein van ‘Oh, Lucifer.’ Nadat de dokter was vertrokken, probeerde juffrouw Grupe de vrouw weer op te jutten door te zeggen dat de afbeelding van de minstreel op de muur de duivel was en het arme wezen begon te schreeuwen: “Jij duivel, ik geef je van katoen”, zodat twee verpleegsters op haar moesten zitten om haar in toom te houden. De oppassers leken het leuk te vinden om het slechtste uit de gewelddadige patiënten naar boven halen.

Ik maakte er altijd een punt van om de dokters te vertellen dat ik geestelijk gezond was en te vragen of ik vrijgelaten mocht worden, maar hoe meer ik ze probeerde te overtuigen dat ik bij zinnen was, hoe meer ze eraan twijfelden.

“Waarom zijn jullie dokters hier eigenlijk?”, vroeg ik er een, wiens naam ik me niet meer herinner.

“Om voor de patiënten te zorgen en hun geestelijke gesteldheid te testen”, antwoordde hij.

“Welaan”, zei ik. “Er zijn zestien dokters op dit eiland en behalve twee heb ik ze nooit enige aandacht aan de patiënten zien besteden. Hoe kan een dokter de geestelijke gesteldheid van een vrouw beoordelen door haar enkel goede morgen te wensen en te weigeren naar haar smeekbedes voor vrijlating te luisteren? Zelfs de zieken weten dat het nutteloos is om iets te zeggen, want het antwoord dat ze te horen krijgen is dat ze het zich verbeelden. “Probeer iedere test op mij uit”, heb ik bij de anderen aangedrongen, “en vertel me, ben ik geestelijk gezond of ongezond? Controleer mijn pols, hart, ogen; vraag me mijn armen te strekken, mijn vingers te bewegen, zoals dr. Field in het Bellevue deed, en vertel me dan of ik bij zinnen ben.” Ze sloegen niet veel acht op mij, want ze dachten dat ik ijlde.

Weer zei ik tegen eentje: “ Je hebt het recht niet gezonde mensen hier vast te houden. Ik ben gezond, altijd al geweest en ik sta erop dat ik grondig onderzocht wordt of dat ik anders vrijgelaten wordt. Een aantal vrouwen hier zijn ook gezond. Waarom kunnen ze niet worden vrijgelaten?”

“Ze zijn gestoord”, was het antwoord, “en leiden aan wanen.”

Na een lang gesprek met dr. Ingram, zei hij: “Ik zal u naar een rustigere afdeling laten overplaatsen.” Een uur later riep juffrouw Grady me naar de gang, en, nadat ze me had uitgemaakt voor alles wat lelijk was, vertelde ze me dat ik mijn hachje had gered door de overplaatsing, anders zou ze het me betaald hebben gezet dat ik zo goed had onthouden dat ik alles aan dr. Ingram moest vertellen. "Jij verd--de snol, je vergeet alles over jezelf, maar je vergat nooit wat je de dokter allemaal moest vertellen." Nadat ze juffrouw Neville had geroepen, dr. Ingram was zo vriendelijk om haar ook over te plaatsen, bracht juffrouw Grady ons naar de gang boven ons, nr. 7.


Krankzinnigengang nr. 7


In gang 7 zijn mw. Kroener, juffrouw Fitzpatrick, juffrouw Finney en juffrouw Hart. Ik zag niet zo’n wrede behandeling als beneden, maar ik hoorde ze wel lelijke opmerkingen en dreigementen maken, ze draaiden vingers en sloegen onhandelbare patiënten in het gezicht. De nachtzuster, Conway dacht ik dat haar naam is, is heel erg gemeen. In gang 7, als één van de patiënten ook maar enige ingetogenheid bezat, dan verloor ze die snel. Iedereen was verplicht zich in de gang voor hun kamerdeur uit te kleden en hun kleren op te vouwen en ze daar te laten liggen tot de volgende ochtend. Ik vroeg of ik me in mijn kamer mocht uitkleden, maar juffrouw Conway zei me dat als ze me ooit op zo’n streek zou betrappen, ze me reden zou geven om het nooit meer te willen herhalen.

De eerste dokter die ik daar zag-dr. Caldwell-aaide me onder de kin, en aangezien ik te moe was om te weigeren te vertellen waar ik woonde, sprak ik alleen Spaans met hem.

Gang 7 ziet er best mooi uit voor een toevallige bezoeker. De gang is behangen met goedkope afbeeldingen en heeft een piano waar juffrouw Mattie Morgan, die hiervoor in een muziekwinkel werkte in de stad, de leiding over had. Ze heeft een aantal patiënten geleerd om te zingen, met enig succes. De artieste van de gang is Under, uitgesproken als Wanda, een Pools meisje. Ze is een getalenteerde pianiste als ze zin heeft om haar kunnen te laten zien. De meest moeilijke muziek leest ze in een ogenblik en haar aanslag en uitvoering zijn perfect.

Op zondag mogen de rustigere patiënten, wiens namen gedurende de week worden ingeleverd door de bewakers, naar de kerk. Er is een kleine katholieke kapel op het eiland en er worden ook andere diensten gehouden.

Op een dag kwam een ‘opzichter’ en maakte een ronde met dr. Dent. In de kelder zagen ze dat de helft van de verpleegsters naar het diner was en de leiding aan de andere helft had overgelaten, zoals altijd werd gedaan. Er werden meteen orders uitgedeeld om de verpleegsters terug te laten keren naar hun taken totdat de patiënten klaar waren met eten. Sommige patiënten wilde praten over het feit dat ze geen zout kregen, maar werden tegengehouden.

Het krankzinnigengesticht op Blackwell’s Island is een menselijke rattenval. Het is makkelijk om erin terecht te komen, maar als je er eenmaal bent, is het onmogelijk om eruit te komen. Het was mijn plan om opgenomen te worden op de gewelddadige afdelingen, de Lodge en Retreat, maar toen ik de getuigenissen van twee gezonde vrouwen had gekregen en deze kon doorgeven, besloot ik om mijn gezondheid-en haar-niet te riskeren, dus werd ik niet gewelddadig.

Tegen het einde was ik afgesloten van alle bezoekers en dus toen de advocaat Peter A. Hendricks kwam en mij vertelde dat vrienden bereid waren om voor mij te zorgen als ik liever bij hen wilde zijn dan in het gesticht, was ik maar al te blij om mijn toestemming te geven. Ik vroeg hem om me onmiddellijk wat te eten te sturen, zodra hij in de stad arriveerde en wachtte toen vol verlangen op mijn vrijlating.

Deze kwam sneller dan ik had gehoopt. Ik was buiten een wandeling ‘in de lijntjes’aan het maken en was net geïnteresseerd geraakt in een arme vrouw die wegkwijnde terwijl de verpleegsters haar dwongen om te lopen. “Tot ziens; Ik ga naar huis”, riep ik naar Pauline Moser, terwijl ze langsliep met twee vrouwen aan weerskanten. Treurig genoeg zei ik vaarwel tegen allen die ik kende en ik passeerde ze op mijn weg naar de vrijheid en leven, terwijl zij achter werden gelaten met een lot erger dan de dood. “Adios”, mompelde ik tegen de Mexicaanse vrouw. Ik kuste mijn vingers naar haar en zo verliet ik mijn metgezellen van gang 7.

Ik had er zo naar uitgekeken om de verschrikkelijke plek te verlaten, maar toen mijn vrijlating aanstaande was en ik wist dat Gods zonlicht weer voor mij beschikbaar zou zijn, voelde ik een zekere pijn bij het vertrek. Tien dagen lang was ik één van hen geweest. Dwaas genoeg leek het vreselijk egoïstisch om ze aan hun lijden over te laten. Ik voelde een donquichotachtig verlangen ze te helpen met mijn sympathie en aanwezigheid. Maar alleen voor eventjes. De tralies waren naar beneden en de vrijheid proefde zoeter dan ooit.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten