maandag 26 november 2018

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 9: Een Expert (?) aan het Werk.

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 9
Een expert(?)aan het werk.

“Nellie Brown, de dokter wil je zien”, zei juffrouw Grupe. Ik ging naar binnen en er werd mij verteld om tegenover dr. Kinier aan het bureau plaats te nemen.

“Hoe heet u?”, vroeg hij, zonder op te kijken.

“Nellie Brown”, antwoordde ik met gemak.

“Waar kom je vandaan?”, mijn antwoorden in een groot boek opschrijvend.

“Cuba.”

“Oh!”, riep hij uit, het plotseling begrijpend—zich daarna tot de verpleegster richtend:

“Zag je iets in de kranten over haar?”

“Ja”, antwoordde ze, “Ik zag een lang verslag over dit meisje in de Sun van Zondag.”
Toen zei de dokter:

“Hou haar hier tot ik naar het kantoor ben geweest en het bericht weer heb gevonden.”

Hij verliet ons en ik was opgelucht dat ik mijn hoed en sjaal had. Bij zijn terugkeer zei hij dat hij de krant niet kon vinden, maar hij vertelde het verhaal van mijn eerste optreden, zoals hij het had gelezen, aan de verpleegster.

“Wat voor kleur ogen heeft ze?”

Juffrouw Grupe keek en antwoordde “grijs”, alhoewel iedereen altijd zei dat mijn ogen bruin of hazelkleurig waren.

“Hoe oud bent u?”, vroeg hij; en terwijl ik antwoordde: “Afgelopen mei negentien jaar”, draaide hij zich om naar de verpleegster en zei: “Wanneer krijg je je volgende pasje?” Ik nam aan dat het om verlof ging of een “snipperdag”.

“Volgende zaterdag”, zei ze met een lach.

“Ga je naar de stad?” en ze lachten allebei toen ze bevestigend antwoordde en hij zei:

“Meet haar lengte.” Ik stond onder een meetlat en deze werd strak op mijn hoofd geschoven.

“Wat is haar lengte?”, vroeg de dokter.

“U weet best dat ik dat niet kan zeggen”, zei ze.

“Ja, dat kun je wel; ga je gang. Wat is haar lengte?”

“Ik weet het niet; er staan daar een paar getallen, maar ik weet niet welke.”

“Jawel, dat weet je wel. Kijk en vertel het me.”

“Dat kan ik niet; doe het zelf”, en ze lachten weer toen de dokter zijn plaats achter het bureau verliet en naar voren kwam om zelf te kijken.

“Eén meter en 65 centimeter; zie je dat niet?”, zei hij en pakte haar hand en raakte de getallen aan.

Aan haar stem kon ik horen dat ze het nog niet begreep, maar dat was mijn zaak niet, aangezien de dokter er plezier aan beleefde om haar te helpen. Daarna werd ik op de weegschaal gezet en zat ze eraan tot ze hem in evenwicht had gebracht.

“Hoeveel?”, vroeg de dokter, die weer zijn plaats achter het bureau had ingenomen.

“Ik weet het niet. U zult zelf moeten kijken”, antwoordde ze, hem bij zijn voornaam noemend, die ik vergeten ben. Hij draaide zich om en sprak haar eveneens aan met haar doopnaam en zei:

“Je bent nu wel echt een groentje!” en ze lachten allebei. Ik gaf het gewicht – 51 kilo- door aan de verpleegster en zij gaf het op haar beurt door aan de dokter.

“Hoe laat ga je eten?”, vroeg hij en ze vertelde het hem. Hij gaf de verpleegster meer aandacht dan mij en op iedere vraag die hij mij stelde, stelde hij er zes aan haar. Toen legde hij mijn lot vast in het boek dat voor hem lag. Ik zei: “Ik ben niet ziek en ik wil hier niet blijven. Niemand heeft het recht me op deze manier het zwijgen op te leggen.” Hij besteedde geen aandacht aan mijn opmerkingen en nadat hij klaar was met schrijven en zijn praatje met de verpleegster, zei hij dat het zo wel genoeg was en ik ging samen met mijn metgezellen terug naar de zitkamer.

“Speel je piano?”, vroegen ze.

“Oh, ja; al vanaf dat ik klein ben”, antwoordde ik.

Toen stonden ze erop dat ik wat zou spelen en ze zetten me op een houten stoel voor een ouderwetse tafelpiano. Ik drukte op een paar toetsen en het ontstemde antwoord stuurde een koude rilling door me heen.

“Wat verschrikkelijk”, riep ik uit, me wendend tot een verpleegster, juffrouw McCarten, die naast me stond. “Ik heb nog nooit een piano aangeraakt die zo ontstemd was.”

“ Wat jammer voor u”, zei ze hatelijk; “we zullen er speciaal een voor u moeten bestellen.”

Ik begon variaties van ‘Home Sweet Home’ te spelen. Het praten stopte en alle patiënten zaten stil, terwijl mijn koude vingers langzaam en stijf over de toetsen bewogen. Ik eindigde op een rommelige manier en weigerde alle verzoeken om nog meer te spelen. Omdat ik geen beschikbare zitplaats zag, bleef ik op de stoel voor de piano zitten, terwijl ik mijn omgeving in me opnam.

Het was een lange kale kamer, omgeven door kale banken. Deze banken, die precies recht waren en even oncomfortabel, waren bedoeld voor vijf mensen, maar in de meeste gevallen werden ze door zes mensen bezet. Getraliede ramen, zo’n anderhalve meter boven de grond, waren op de dubbele deuren gericht die naar de gang leidden. De kale witte muren werden wat opgefleurd door drie litho’s, één van Fritz Emmet en de anderen met negerminstrelen. In het midden van de kamer stond een tafel die bedekt was met een witte beddensprei en daarom heen zaten de verpleegsters. Alles was vlekkeloos schoon en ik bedacht wat voor goede werksters de verpleegsters moesten zijn om alles zo ordelijk te houden. Een paar dagen later zou ik lachen om mijn eigen stommiteit, dat ik dacht dat de verpleegsters werkten. Toen ze erachter kwamen dat ik niet meer wilde spelen, kwam juffrouw McCarten naar me toe en zei heel bot:

“Weg hier”, en sloot de piano met een knal.

“Brown, kom hier”, was het volgende bevel dat ik kreeg van een ruige vrouw met een rood gezicht die aan de tafel zat. “Wat heb je aan?”

“Mijn kleding”, antwoordde ik.

Ze tilde mijn jurk en rokken omhoog en noteerde een paar schoenen, een paar kousen, een wollen jurk, een strooien matrozenhoed, enzovoort.






Geen opmerkingen:

Een reactie posten