maandag 19 november 2018

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 8: In het Gekkenhuis

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 8
In het Gekkenhuis.

Terwijl de wagen snel door de mooie lanen naar het gesticht werd gereden, gingen mijn gevoelens van tevredenheid wegens het bereiken van mijn doel grotendeels in rook op door de spanning op de gezichten van mijn metgezellen. Arme vrouwen, zij hadden geen hoop op een snelle verlossing. Ze werden naar een gevangenis gereden zonder daar iets aan te kunnen doen, naar alle waarschijnlijkheid voor het leven. Het moet makkelijker zijn om naar de galg te lopen dan naar deze levende graftombe. De wagen snelde voort en mijn kameraden en ik wierpen een wanhopige blik op de vrijheid toen de hoge stenen gebouwen in zicht kwamen.  We passeerden een laag gebouw en de stank was zo verschrikkelijk dat ik genoodzaakt was om mijn adem in te houden en ik bedacht dat dit de keuken moest zijn. Achteraf kwam ik erachter dat mijn vermoeden juist was en ik glimlachte naar het bord aan het eind van het pad: “Deze weg is verboden voor bezoekers.” Ik denk niet dat het bord nodig was geweest als ze de weg eenmaal hadden geprobeerd, vooral op een warme dag.


Het Krankzinnigengesticht



De wagen stopte en de verpleegster en agent die de leiding hadden, zeiden ons uit te stappen. De verpleegster voegde eraan toe: “Godzijdank! Ze zijn rustig meegekomen.” We gehoorzaamden de bevelen om een smalle stenen trap op te gaan die duidelijk gebouwd was voor mensen die een trap met drie treden tegelijk konden beklimmen. Ik vroeg me af of mijn metgezellen wisten waar ze waren, dus zei ik tegen juffrouw Tillie Mayard:

“Waar zijn we?”

“In het Blackwell’s Island Krankzinnigengesticht”, antwoordde ze treurig.

“Ben je gek?”, vroeg ik.

“Nee”, antwoordde ze; “maar aangezien we hiernaartoe zijn gestuurd, zullen we ons rustig moeten houden tot we manieren hebben gevonden om te ontsnappen. Dat zullen er echter weinig zijn als alle artsen, zoals dr. Field, weigeren om naar me te luisteren of me geen kans geven om te bewijzen dat ik geestelijk gezond ben.” We werden een smalle hal binnen geleid en de deur werd achter ons op slot gedaan.


De Voorste Hal


Ondanks het feit dat ik wist dat ik geestelijk gezond was en de verzekering dat ik over een paar dagen vrij zou zijn, voelde ik een steek in mijn hart. Krankzinnig verklaard door vier specialisten en opgesloten achter de genadeloze grendels en tralies van een krankzinnigengesticht! Niet in mijn eentje te worden opgesloten, maar om de metgezel te zijn, dag en nacht, van redeloos kletsende gekken; om samen met ze te slapen, eten, om als één van hen te worden beschouwd, was ongemakkelijk. Angstvallig volgden we de verpleegster langs de onbeklede gang naar een kamer gevuld met zogenoemde gestoorde vrouwen. Er werd ons gezegd te gaan zitten en sommige patiënten maakte vriendelijk plaats voor ons. Ze keken nieuwsgierig naar ons en één van ze kwam naar me toe en vroeg:

“Wie heeft je hierheen gestuurd?”

“De dokters, antwoordde ik.

“Waarom?”, drong ze aan.

“Nou, ze zeggen dat ik krankzinnig ben”, gaf ik toe.

“Krankzinnig!”, herhaalde ze ongelovig. “Het is niet aan je gezicht te zien.”

Ik concludeerde dat deze vrouw te slim was en ik was blij om de ruwe bevelen van de verpleegster op te volgen en naar de dokter te gaan. Deze verpleegster, juffrouw Grupe trouwens, had een vriendelijk Duits gezicht en als ik niet een paar harde lijnen rond de mond had opgemerkt, had ik net als mijn metgezellen verwacht dat ze ons heel vriendelijk zou behandelen. Ze liet ons achter in een kleine wachtkamer aan het einde van de gang en liet ons alleen, terwijl ze door een klein kantooropening liep die naar de naburige kamer leidde.

“Ik wil graag de wagen in”, zei ze tegen een onzichtbare partij binnen. “Het helpt om de dag dragelijker te maken.” Hij antwoordde haar dat de buitenlucht haar uiterlijk goed deed en ze verscheen weer voor ons met een grijnslach op haar gezicht.

“Kom hier, Tillie Mayard”, zei ze. Juffrouw Mayard gehoorzaamde en hoewel ik het kantoor niet kon zien, kon ik haar rustig, maar krachtig haar zaak horen bepleiten. Al haar opmerkingen waren zo rationeel als ze maar zijn konden en ik vond dat geen enkele arts iets anders dan onder de indruk van haar kon zijn. Ze vertelde over haar recente ziekte, dat ze aan een zenuwaandoening leed. Ze smeekte hen alle tests te doen, als die er waren, en dat ze haar recht moesten doen. Arm meisje, hoe mijn hart naar haar uitging! Ik besloot toen ter plekke dat ik alle middelen zou inzetten om mijn lijdende zusters met mijn missie te helpen; dat ik zou laten zien dat ze zonder gedegen onderzoek werden opgenomen. Zonder enig woord van medeleven of aanmoediging werd ze teruggebracht naar haar zitplaats.

Mw. Louise Schanz werd naar dr. Kinier gebracht, de medische man.

“Uw naam?”, vroeg hij luid. Ze antwoordde in het Duits dat ze geen Engels sprak en het ook niet kon verstaan. Toen hij echter mw. Louise Schanz zei, antwoordde ze: “Ja, ja.” Vervolgens probeerde hij nog andere vragen te stellen en toen hij merkte dat ze geen woord Engels kon verstaan, zei hij tegen juffrouw Grupe:

“U bent Duits; praat tegen haar namens mij.”

Juffrouw Grupe bleek iemand te zijn die zich schaamt voor haar afkomst en ze weigerde door te zeggen dat ze maar een paar woordjes van haar moedertaal kon begrijpen.

“U weet dat u Duits spreekt. Vraag deze vrouw wat haar man doet.” En ze lachten allebei alsof het om een grap ging.

“Ik kan het maar een beetje spreken”, protesteerde ze, maar uiteindelijk slaagde ze erin om het beroep van meneer Schanz te achterhalen.

“Welnu, wat was het nut om tegen me te liegen?”, vroeg de dokter met een glimlach die zijn onbeschoftheid liet verdwijnen.

“Ik kan niets meer zeggen”, zei ze en dat deed ze ook niet meer.

En zo werd mw. Louise Schanz in het gesticht opgenomen zonder een kans zich verstaanbaar te maken. Is er een excuus te bedenken voor zo’n laksheid, vraag ik me af, als het zo gemakkelijk is om een tolk in te schakelen? Als de opname maar voor enkele dagen zou zijn, zou men de noodzaak ervan nog in twijfel kunnen trekken. Maar dit was een vrouw die zonder haar toestemming uit de vrije wereld was gerukt en naar het gesticht was gebracht en geen kans kreeg om haar geestelijke gezondheid te bewijzen. Hoogst waarschijnlijk voor het leven opgesloten achter de tralies van een gesticht, zonder dat haar ooit in haar eigen taal verteld is over het hoe en waarom. Vergelijk dit met een crimineel die iedere kans krijgt om zijn onschuld te bewijzen. Wie wil dan niet liever een moordenaar zijn en het risico nemen om levenslang te krijgen dan om krankzinnig verklaard te worden zonder enige hoop op ontsnapping? Mw. Schanz smeekte in het Duits dat ze wilde weten waar ze was en of ze vrijgelaten kon worden. Met een stem gebroken door snikken, werd ze zonder gehoord te zijn naar ons toe geleid.

Mw. Fox moest daarna dit slappe inhoudsloze onderzoek ondergaan en werd het kantoor uitgeleid, veroordeeld. Daarna was mejuffrouw Annie Neville aan de beurt en ik was weer als laatste over. Tegen die tijd had ik besloten om me te gedragen alsof ik vrij was, behalve dat ik zou weigeren te vertellen wie ik was en waar ik woonde.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten