maandag 22 oktober 2018

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 4: Rechter Duffy en de Politie

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 4
Rechter Duffy en de Politie.
Maar om weer terug te komen op mijn verhaal. Ik hield mijn rol vol totdat de hulp van de vrouw des huizes, mw. Stanard, binnenkwam. Ze probeerde me te kalmeren. Het werd me nu heel duidelijk dat ze me ten koste van alles, zo rustig mogelijk, het huis uit wilde krijgen. Dat wilde ik niet. Ik weigerde om in beweging te komen en herhaalde mijn oude refrein over mijn verloren koffers. Uiteindelijk opperde iemand dat er een politieagent bij moest worden gehaald. Na enige tijd deed mw. Stanard haar hoed op en ging weg. Toen wist ik dat ik een stap dichterbij het krankzinnigengesticht was. Ze kwam al snel terug met twee politiemannen- grote sterke mannen- die zonder veel plichtplegingen de kamer binnenkwamen, kennelijk in de veronderstelling dat ze met een krankzinnig gewelddadig persoon te maken zouden hebben. Eén van hen heette Tom Bockert.

In handen van de politie.
Toen ze binnenkwamen, deed ik alsof ik ze niet zag. “Ik wil dat jullie haar rustig meenemen”, zei mw. Stanard. “Als ze niet rustig meegaat”, antwoordde één van de mannen, “Sleur ik haar mee door de straten.” Ik lette nog steeds niet op ze, maar hoopte wel een scène op straat te vermijden. Gelukkig schoot mw. Caine me te hulp. Ze vertelde de agenten over mijn geschreeuw om mijn verloren koffers en samen bedachten ze een plan om me rustig met ze mee te laten gaan door te zeggen dat ze samen met mij naar mijn verloren spullen zouden zoeken. Ze vroegen of ik meeging. Ik zei dat ik bang was om alleen te gaan. Mevrouw Stanard zei toen dat ze me zou vergezellen en ze regelde dat de agenten op een eerbiedige afstand achter ons zouden blijven. Ze deed mijn voile over mijn gezicht en we verlieten het huis via de kelder en liepen de stad door met de agenten op enige afstand achter ons. We liepen heel rustig door en kwamen uiteindelijk bij het politiebureau aan,de goede vrouw verzekerde mij dat het het postkantoor was en dat we daar zeker mijn vermiste spullen zouden vinden. Ik ging met angst en beven naar binnen, met een goede reden.

Een paar dagen eerder had ik Kapitein McCullagh ontmoet bij een vergadering in de Cooper Union*. Toentertijd was ik op zoek naar informatie die hij me desgevraagd had gegeven. Als hij hier aanwezig was, zou hij me dan herkennen? Dan zouden alle plannen betreffende mijn reis naar het eiland voor niks zijn geweest. Ik trok mijn zeemanshoed zo laag mogelijk over mijn gezicht en bereidde me voor op de beproeving. Zowaar stond daar de forse Kapitein McCullagh bij de balie.

Hij bekeek me nauwkeurig toen de agent aan de balie met een zachte stem met mw. Stanard en de politieman die me hierheen had gebracht, praatte.

“Bent u Nellie Brown?”, vroeg de agent. Ik zei dat dat kon kloppen. “Waar komt u vandaan?”, vroeg hij.  Ik vertelde hem dat ik dat niet wist en toen gaf mw. Stanard hem allerlei informatie over mij – vertelde hem hoe vreemd ik me had gedragen in het Huis; dat ik de hele nacht geen oog dicht had gedaan en dat ik volgens haar een arme ziel was die gek was geworden door een onmenselijke behandeling. Er ontstond enige discussie tussen mw. Stanard en de twee agenten en Tom Bockert werd opgedragen om ons met de auto naar de rechtbank te brengen.

“Kom maar mee”, zei Bockert, “Ik zal je koffer voor je zoeken”. We gingen zijn allen, mw. Stanard, Tom Bockert en ik. Ik zei dat het erg vriendelijk was dat ze met me meegingen en dat ik ze niet snel zou vergeten. Terwijl we verder liepen, bleef ik doorgaan over mijn koffers, tussendoor soms opmerkingen makend over de vieze staat van de straten en hoe vreemd de mensen waren die we onderweg tegenkwamen. “Ik denk niet dat ik ooit eerder zo’n mensen heb gezien”, zei ik. “Wie zijn ze?”, vroeg ik en mijn metgezellen keken me medelijdend aan, klaarblijkelijk denkend dat ik een buitenlander, een immigrant of iets dergelijks was. Ze vertelden dat de mensen om me heen werkende mensen waren. Ik merkte nogmaals op dat ik vond dat er te veel werkende mensen in de wereld waren voor de hoeveelheid werk die er verricht moest worden, waarna politieagent P.T. Bockert mij nauwkeurig opnam, duidelijk van mening dat ik voor altijd verloren was. We passeerden verscheidene andere politieagenten die regelmatig aan mijn forse begeleiders vroegen wat er met mij aan de hand was. Tegen deze tijd volgde een tamelijk groot aantal in vodden geklede kinderen ons en maakten opmerkingen over mij die ik zowel origineel als amusant vond.

“Wat heeft ze gedaan?” “Zeg smeris, waar heb je haar vandaan?” “Waar heb je haar van straat geplukt?” “Ze is een bloem!”

Arme mw. Stanard was angstiger dan ik. De situatie werd steeds interessanter, maar ik vreesde nog wel voor mijn lot voor de rechter.

Eindelijk kwamen we bij een laag gebouw aan en Tom Bockert legde vriendelijk uit: “Hier is het postkantoor. We zullen je koffers snel terug hebben gevonden.”

Bij de ingang van het gebouw stond een nieuwsgierige menigte en ik dacht dat mijn geval niet ernstig genoeg was om ze te passeren zonder enige opmerking te maken, dus vroeg ik of al die mensen hun koffers verloren hadden.

“Ja”, zei hij, “bijna al deze mensen zoeken hun koffers.”

Ik zei: ”Ze lijken ook allemaal buitenlanders.” "Ja", zei Tom, “Het zijn allemaal pas gearriveerde buitenlanders. Ze zijn allemaal hun koffers verloren en het grootste deel van de tijd zijn we bezig om ze terug te vinden”

We betraden de rechtbank. Het was de rechtbank van de Essex Market Police. Eindelijk zou de vraag of ik krankzinnig was, beoordeeld worden. Rechter Duffy zat achter een hoog bureau, met een gezicht dat uitstraalde dat hij op grote schaal in menselijke goedheid handelde. Wegens de vriendelijkheid die ik in iedere lijn van zijn gezicht zag, was ik bang dat ik niet het lot toebedeeld zou krijgen dat ik wenste, en mijn hart zonk in mijn schoenen terwijl ik mw. Stanard volgde toen ze naar het bureau ontboden werd waar Tom Bockert net verslag van de zaak had gedaan.

“Kom hier”, zei een agent. “Hoe heet u?”

“Nellie Brown”, antwoordde ik met een licht accent. “Ik ben mijn koffers verloren en zou graag willen dat u ze terugvindt.”

“Wanneer arriveerde u in New York?”, vroeg hij.

“Ik ben niet naar New York gekomen”, antwoordde ik (terwijl ik in mijn hoofd toevoegde: omdat ik hier al enige tijd ben.)

“Maar u bent nu in New York”, zei de man.

“Nee”, zei ik, zo lichtgelovig mogelijk kijkend als ik dacht dat een krankzinnige zou doen, “Ik kwam niet naar New York.”

“Dat meisje komt uit het westen”, zei hij op een toon die me deed beven. “Ze heeft een westers accent.”

Iemand anders die naar het korte gesprek had geluisterd, verklaarde dat hij in het zuiden woonde en dat ik van zuidelijke afkomst was, terwijl een andere agent zeker was dat het oosters was. Ik was zeer opgelucht toen de eerste spreker zich tot de rechter wendde en zei:

“Rechter, hier is een merkwaardige zaak van een jonge vrouw die niet weet wie ze is of waar ze vandaan komt. U kunt zich er beter meteen mee bezig houden.”

Ik begon door meer dan alleen de kou te beven en keek naar de vreemde menigte om me heen, bestaande uit slecht geklede mannen en vrouwen met verhalen op hun gezichten gedrukt van harde levens, misbruik en armoede. Sommigen waren enthousiast aan het overleggen met vrienden, anderen zaten stil met een uitdrukking van volslagen hopeloosheid. Overal verspreid waren er goed geklede, goed doorvoede agenten die passief naar het gebeuren keken, en bijna onverschillig. Het was het oude liedje voor hen. Weer een arme ziel die werd toegevoegd aan een lange lijst die ze al lang niet meer interessant of zorgwekkend vonden.
Nellie voor rechter Duffy.

“Kom hier, meisje en til je voile op”, beval rechter Duffy op een toon die me verraste zijn hardheid die ik niet had verwacht van het vriendelijke gezicht dat hij bezat.

“Tegen wie heeft u het?”, informeerde ik op een zo deftig mogelijke manier.

“Kom hier, mijn kind, en til je voile op. Weet je, zelfs de koningin van Engeland zou haar sluier omhoog moeten doen als ze hier was”, zei hij erg vriendelijk.

“Dat is veel beter”, antwoordde ik. “Ik ben niet de koningin van Engeland, maar ik zal mijn sluier optillen.”

Toen ik dat deed, keek de kleine rechter naar me en vroeg toen op een erg vriendelijke en zachtaardige toon:

“Mijn lieve kind, wat is er aan de hand?”

“Er is niks aan de hand behalve dat ik mijn koffers ben verloren en dat deze man”,daarbij agent Bockert aanwijzend, “mij had beloofd om me naar de plek te brengen waar ze gevonden kunnen worden.”

“Wat kunt u me vertellen over dit kind?”, vroeg de rechter streng aan mw. Stanard, die bleek en trillend naast me stond.

“Ik weet niks van haar af, behalve dat ze gisteren naar ons tehuis kwam en vroeg of ze mocht overnachten.”

“Het tehuis! Wat bedoelt u met het tehuis?”, vroeg rechter Duffy snel.

“Het is een tijdelijk huis voor werkende vrouwen gelegen aan Second Avenue nr. 84.”

“Welke functie bekleedt u daar?”

“Ik ben de assistent van de vrouw des huizes.”

“Nou, vertel ons wat u over deze zaak weet.”

“Toen ik gisteren het huis binnenging, zag ik haar komen aanlopen. Ze was helemaal alleen. Ik was net binnen toen de bel ging en ze binnenkwam. Toen ik met haar praatte wilde ze weten of ze de hele nacht kon blijven en ik zei dat dat mogelijk was. Na enige tijd zei ze dat de mensen in het huis er gek uitzagen en dat ze bang voor ze was. Toen wilde ze niet naar bed gaan, maar was ze de hele nacht wakker.”

“Had ze geld bij zich?”

“Ja”, antwoordde ik voor haar, ”Ik heb voor alles betaald en het eten was het ergste dat ik ooit heb geproefd.”

Er werd wat gelachen en gemompeld: “Ze is toch niet zo gek wat betreft het eten.”

“Arm kind”, zei rechter Duffy, “ze is goed gekleed en een dame. Haar Engels is perfect en ik durf er alles onder te verwedden dat ze een goed meisje is. Ik weet zeker dat ze iemands lieveling is.”

Iedereen lachte om deze uitspraak en ik deed een zakdoek voor mijn gezicht in een poging mijn lach in te houden die, ondanks mijn vastberadenheid, mijn plannen dreigde te verpesten.

“Ik bedoel dat ze de lieveling van een of andere vrouw is”, verbeterde de rechter zich haastig. “Ik weet zeker dat iemand haar zoekt. Arm meisje, ik zal haar goed behandelen, want ze lijkt op mijn overleden zuster.”

Na deze mededeling volgde er een moment stilte en de agenten keken vriendelijker naar me, terwijl ik de goedhartige rechter stilletjes prees en hoopte dat iedere arme ziel die in de toestand was die ik veinsde met net zo’n goedhartige man als rechter Duffy te maken zou krijgen.

“Ik wou dat de journalisten hier waren”, zei hij uiteindelijk. “Ze moeten iets over haar kunnen vinden.”

Ik werd nu wel bang, want als er iemand is die een mysterie kan oplossen dan is het wel een journalist. Ik wilde liever een hele rits gespecialiseerde artsen, politieagenten en detectives onder ogen komen dan twee slimme exemplaren van mijn beroep, dus zei ik:

“Ik snap niet waarom dit allemaal nodig is om mijn koffers te vinden. Deze mannen zijn onbeschoft en ik wil niet aangestaard worden. Ik ga weg. Ik wil hier niet blijven.”

Dit gezegd hebbende trok ik mijn voile voor mijn gezicht, stiekem hopend dat de verslaggevers ergens anders opgehouden werden tot ik naar het gesticht werd gestuurd.

“Ik weet niet wat ik met dit arm kind aan moet”, zei de bezorgde rechter. “Er moet voor haar gezorgd worden.”

“Stuur haar naar het Eiland”, opperde één van de agenten.

“Oh nee!” zei mw. Stanard overduidelijk gealarmeerd. “Niet doen! Ze is een dame en het wordt haar dood als ze naar het Eiland wordt gestuurd.”

Voor het eerst wilde ik de goede vrouw door elkaar schudden. Het Eiland was juist de plek die ik wilde bereiken en zij probeerde me ervan te weerhouden om ernaar toe te gaan! Het was erg aardig van haar, maar onder de omstandigheden nogal ergerlijk.

“Er zijn hier kwade krachten in het spel”, zei de rechter, “Ik denk dat het kind gedrogeerd is en naar de stad is gebracht. Breng de papieren in orde en breng haar naar het Bellevue** voor onderzoek. Waarschijnlijk is de drug over een paar dagen uitgewerkt en zal ze ons een schokkend verhaal te vertellen hebben. Waren de journalisten hier nou maar!”

Ik vreesde hun komst, dus zei ik dat ik niet langer wilde blijven om aangestaard te worden. Rechter Duffy droeg politieagent Bockert op om mij naar het kantoortje achterin te brengen. Toen we daar zaten, kwam rechter Duffy binnen en vroeg of ik uit Cuba kwam.

“Ja”, antwoordde ik met een lach. “Hoe weet u dat?”

“Oh, dat wist ik gewoon, lieve kind. Vertel me waarvandaan precies? Uit welk deel van Cuba kom je?”

“De hacienda”, antwoordde ik.

“Aha”, zei de rechter, “op een boerderij. Herinner je je Havana?”

“Si, senor”, antwoordde ik; “het is vlakbij mijn woonplaats. Hoe wist u dat?”

“Oh ik wist er alles van. Kun je me nu de naam van je woonplaats vertellen?”, vroeg hij vol overtuiging.

“Dat is wat ik vergeten ben”, antwoordde ik verdrietig. “Ik heb de hele tijd hoofdpijn en daardoor vergeet ik van alles. Ik wil er geen last van hebben. Iedereen stelt me maar vragen en dat maakt mijn hoofdpijn erger”, en dat was werkelijk zo.

“Nou, niemand zal je meer lastigvallen. Ga zitten en rust even uit”, en de geniale rechter liet me alleen met mw. Stanard.

Op dat moment kwam er een agent binnen met een verslaggever. Ik was zo bang en dacht dat ik herkend zou worden als een journalist, dus wendde ik mijn hoofd af en zei: “Ik wil geen verslaggevers zien; ik wil er geen enkele zien; de rechter zei dat ik niet gestoord mocht worden.”

“Nou, daar is niks krankzinnigs aan”, zei de man die de verslaggever had meegebracht en samen verlieten ze de kamer. Weer had ik een angstaanval. Was ik te ver gegaan in mijn wens om geen verslaggever te willen zien, was ik betrapt? Als ik de indruk had gewekt geestelijk gezond te zijn, wilde ik dat ongedaan maken, dus sprong ik op en rende het kantoor op en neer, terwijl mw. Stanard angstvallig mijn arm vasthield.

“Ik wil hier niet blijven; Ik wil mijn koffers! Waarom vallen ze me met zoveel mensen lastig?” en zo ging ik door tot de ambulancedokter in gezelschap van de rechter binnenkwam.

* The Cooper Union for the Advancement of Science and Art, of kortweg Cooper Union, is een particuliere hogeschool in Lower Manhattan, New York City. (bron: Wikipedia)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten