maandag 15 oktober 2018

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 3: In het Tijdelijke Huis voor Vrouwen

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 3
In het Tijdelijke Huis voor Vrouwen

Het was nu aan mij om aan mijn carrière als het krankzinnige meisje Nellie Brown te beginnen. Terwijl ik door de straat liep, probeerde ik de houding aan te nemen van de jonge vrouwen op foto’s met de titel ‘Dromen’. Afwezige blikken maken een verwarde indruk. Ik liep door het kleine geplaveide voortuintje naar de voordeur van het Huis. Ik trok aan de bel, die zo hard als een kerkklok klonk, en wachtte zenuwachtig tot de deur open zou gaan die mij volgens het plan spoedig weg zou sturen en in de goede handen van de politie zou doen belanden. De deur werd met veel geweld opengegooid, waarna er een kort geelharig meisje van zo’n dertien lentes oud voor me stond.

"Is de vrouw des huizes aanwezig?", vroeg ik zwakjes.

"Ja, ze is er; ze heeft het druk. Ga naar de achterkamer", antwoordde het meisje met een luide stem, zonder enige verandering in haar merkwaardig volwassen gezicht.

Het Tijdelijke Huis voor Vrouwen

Ik volgde deze niet al te aardige of beleefde instructie op en kwam terecht in een donkere oncomfortabele achterkamer. Daar wachtte ik op de komst van mijn gastvrouw. Ik zat daar minstens twintig minuten toen een slanke vrouw, gekleed in een simpele donkere jurk, binnenkwam, voor me ging staan en onderzoekend uitriep:
"En?"

"Bent u de vrouw des huizes?", vroeg ik.

"Nee", antwoordde ze, "de vrouw des huizes is ziek; ik ben haar assistent. Wat wil je?"

"Ik wil hier een paar dagen blijven, als u plaats voor me heeft."

"Nou, ik heb geen eenpersoonskamers, we zitten overvol; maar als je een kamer wilt delen met een ander meisje, kan ik dat voor je regelen."

"Daar zou ik heel blij mee zijn", antwoordde ik. "Hoeveel kost dat?" Ik had maar zeventig cent bij me, wetende dat hoe minder geld ik bij me had, hoe eerder ik eruit zou worden gegooid en dat is waar ik naartoe wilde werken.

"We rekenen dertig cent per nacht", was haar antwoord op mijn vraag, waarna ik voor één overnachting betaalde. En ze vertrok met de verontschuldiging dat ze nog iets anders te doen had. Alleen achtergelaten besloot ik mezelf bezig te houden door mijn omgeving te onderzoeken.

Deze was op zijn zachtst gezegd niet opbeurend. Een kledingkast, bureau, boekenkast, orgel en een aantal stoelen maakten de inrichting, waar het daglicht nauwelijks binnendrong, af.

Tegen de tijd dat ik vertrouwd was geraakt met mijn vertrekken, begon er een bel, die qua geluidssterkte de deurbel evenaarde, te klingelen in de kelder en kwamen er vrouwen uit alle gedeeltes van het huis tegelijkertijd samen en begaven zich naar beneden. Aangezien alle tekenen daarop wezen, veronderstelde ik dat het middagmaal werd opgediend, maar omdat niemand iets tegen mij had gezegd, deed ik geen poging om de hongerige stoet te volgen. Ik hoopte echter wel dat iemand me zou uitnodigen om mee naar beneden te komen. Het zorgt altijd voor zo’n eenzaam gevoel van heimwee, wetende dat anderen aan het eten zijn en wij de kans niet krijgen, ook al hebben we geen honger. Ik was blij dat de assistent van de vrouw des huizes naar boven kwam en vroeg of ik niks wilde eten. Ik antwoordde van wel en vroeg hoe ze heette. Mevrouw Stanard, zei ze, en ik schreef het meteen op in mijn notitieboekje dat ik had meegenomen met het doel om aantekeningen te maken en waarin ik op een aantal pagina’s gebrabbel had geschreven voor nieuwsgierige wetenschappers.

Aldus uitgerust wachtte ik op nieuwe ontwikkelingen. Om weer terug te komen op mijn middagmaal - nou ik volgde mevrouw Stanard over de onbeklede trappen naar de kelder waar een grote groep vrouwen aan het eten was. Ze vond een plaatsje voor mij aan een tafel met drie andere vrouwen. De kortharige bediende die de deur had opengemaakt, maakte nu haar opwachting als serveerster. Ze plaatste haar handen op haar heupen, staarde me aan, wat me van mijn à propos bracht, en zei:

"Gekookt schaap, gekookt rund, bonen, aardappelen, koffie of thee?"

"Rund, aardappelen, koffie en brood", antwoordde ik.

"Het brood gaat erin", legde ze uit, terwijl ze naar de keuken achterin liep. Het duurde niet lang voordat ze terugkeerde met een groot zwaar gehavend dienblad met mijn bestelde eten dat ze vervolgens voor me neersmeet. Ik begon aan mijn simpele maaltijd. Deze was niet erg aanlokkelijk, dus terwijl ik deed alsof ik at,observeerde ik de anderen.

Nellies eerste maaltijd in het Huis

Ik heb vaak gemoraliseerd over de weerzinwekkende vorm die liefdadigheid altijd aanneemt. Hier was een huis met eerzame vrouwen, maar wat dreef de naam de spot hiermee. De vloer was kaal en de kleine houten tafels waren verstoken van moderne verfraaiingen zoals lak, poetsmiddel en tafelkleden. Het is zinloos over de prijs van linnengoed te praten en het effect op de beschaving. Toch moeten deze eerlijke arbeidsters, de meest eerzame vrouwen, deze barre plek hun thuis noemen.

Na het middagmaal gingen de vrouwen naar een bureau in de hoek waarachter mevrouw Stanard was gezeten en betaalden de rekening. Ik kreeg een veel gebruikte en misbruikte rode rekening aangeboden door een origineel exemplaar van het menselijk soort in de vorm van mijn serveerster. Mijn rekening bedroeg ongeveer dertig cent.

Na het middagmaal ging ik naar boven en nam mijn plek in de achterkamer weer in. Het was tamelijk koud en oncomfortabel en ik wist zeker ik deze toestand niet lang kon volhouden, dus hoe sneller ik de rol van krankzinnige op me zou nemen, hoe sneller ik bevrijd zou worden van deze opgelegde ledigheid. Ach! Dat was inderdaad de langste dag die ik ooit heb ervaren. Ik keek lusteloos naar de vrouwen in de voorkamer, waar iedereen zat behalve ik.

Eén vrouw deed niks anders dan lezen en aan haar hoofd krabben en riep af en toe goeiig "Georgie", zonder haar ogen van haar boek af te wenden. "Georgie" was haar overactieve zoon die meer lawaai in zich had dan enig ander kind dat ik ooit had ontmoet. Hij deed onbeschoft en ongemanierd, vond ik, en de moeder zei er nooit iets van, behalve als ze iemand anders naar hem hoorde schreeuwen. Een andere vrouw viel steeds in slaap en wekte zichzelf dan met haar eigen gesnurk. Ik was er stiekem dankbaar voor dat ze alleen zichzelf wekte. De meerderheid van de vrouwen zat er te niksen, maar er waren er een paar bij die kant maakten en onophoudelijk aan het haken waren. De enorme deurbel leek onophoudelijk te gaan, evenals het kortharige meisje. Ze was trouwens één van die meisjes dat de hele tijd flarden van alle liedjes en kerkliederen zong die de laatste vijftig jaar gecomponeerd zijn. Het belgerinkel bracht nog meer mensen met zich mee die onderdak voor de nacht nodig hadden. Met uitzondering van één vrouw, die van het platteland afkomstig was en een dagje was gaan winkelen, waren het werkende vrouwen, sommigen met kinderen.

Tegen het vallen van de avond kwam mevrouw Stanard naar me toe en zei:

"Wat is er aan de hand? Heb je verdriet of problemen?"

"Nee", antwoordde ik, bijna overdonderd door haar vraag. "Waarom?"

"Oh, omdat", zei ze vrouwelijk, "ik het kan aflezen aan je gezicht. Het vertelt een verhaal vol problemen."

"Ja, alles is zo treurig", zei ik in het wilde weg, wat mijn krankzinnigheid moest reflecteren.

"Maar je moet jezelf niet toestaan om je daar zorgen over te maken. We hebben allemaal onze problemen, maar daar komen we uiteindelijk uit. Wat voor werk zoek je?"

"Ik weet het niet; het is allemaal zo treurig", antwoordde ik.

"Zou je een kinderjuffrouw willen zijn en een mooi wit kapje en schort willen dragen?", vroeg ze.

Ik duwde een zakdoek tegen mijn gezicht om een glimlach te verbergen en antwoordde mompelend: "Ik heb nooit gewerkt; ik weet niet hoe het moet."

"Maar je moet het leren", drong ze aan; "al deze vrouwen hier werken."

"Echt?", fluisterde ik met een zacht trillende stem. "Nou, ze zien er vreselijk uit; als gekke vrouwen. Ik ben echt bang voor ze."

"Ze zien er niet erg aardig uit", antwoordde ze instemmend, "maar het zijn goede en eerlijke werkende vrouwen. We hebben hier geen gekken."

Weer drukte ik mijn zakdoek tegen mijn gezicht om een glimlach te verbergen, aangezien ze voor het aanbreken van de ochtend wel zou denken dat er zich één gek onder haar kudde bevond.

"Ze zien er allemaal gek uit", bevestigde ik weer, "en ik ben bang voor ze. Er zijn zoveel gekke mensen om ons heen en men kan nooit weten wat ze zullen doen. Er worden zoveel moorden gepleegd en de politie vangt de moordenaars nooit." En ik eindigde met een snik waar zelfs een publiek met verveelde critici van onder de indruk zou zijn geweest. Er ging een krampachtige schok door haar heen en ik wist dat ik een doelpunt had gemaakt. Het was amusant om te zien hoe opmerkelijk snel ze erover deed om uit haar stoel op te staan en opgejaagd te fluisteren: "Ik kom straks weer terug voor een praatje." Ik wist dat ze niet terug zou komen en dat deed ze ook niet.

Toen de bel voor het avondeten luidde, ging ik met de anderen mee naar de kelder en nam deel aan het avondmaal, wat niet veel verschilde van het middagmaal, behalve dat het menu beperkter was en er meer mensen waren, de vrouwen die gedurende dag aan het werk waren geweest waren nu terug. Na de maaltijd verspreidden we ons in de zitkamers waar iedereen zat of stond, aangezien er niet genoeg stoelen waren.

Het was een verschrikkelijk lange avond en het licht dat afkomstig was van de enige gaslamp in de zitkamer en de olielamp in de hal omhulde ons in een schemerachtige kleur en schilderde onze zielen marineblauw. Ik had het gevoel dat ik niet lang in deze sfeer ondergedompeld hoefde te worden om rijp te zijn voor de plek waar ik naartoe wilde.

Ik zag twee vrouwen die van iedereen het meest sociaal leken en koos hen uit als degenen die mijn redding moesten bewerkstelligen, of beter gezegd, mijn schuldigverklaring en veroordeling. Ik verontschuldigde me en zei dat ik me eenzaam voelde en vroeg of ik mocht aanschuiven. Ze stemden vriendelijk toe, dus ging ik met mijn hoed en handschoenen aan zitten, niemand vroeg me om ze weg te leggen, en luisterde naar de nogal saaie conversatie waaraan ik niet deelnam, maar slechts een droevig gezicht opzette en op hun opmerkingen reageerde met enkel een "Ja" of "Nee" of "Ik weet het niet". Een aantal keren zei ik tegen ze dat iedereen in het Huis gek leek, maar ze waren te traag om er op in te gaan. Eén van ze zei dat ze mevrouw King heette en uit het Zuiden afkomstig was. Toen zei ze dat ik een zuidelijk accent had. Ze vroeg me kortaf of ik niet uit het Zuiden afkomstig was. Ik zei: "Ja". De andere vrouw begon toen te praten over de veerboten naar Boston en vroeg of ik wist wanneer ze vertrokken.

Eventjes viel ik uit mijn rol van krankzinnige en vertelde haar de juiste vertrektijd. Ze vroeg vervolgens wat voor werk ik ging doen en of ik al ooit gewerkt had. Ik antwoordde dat ik het erg verdrietig vond dat er zoveel werkende mensen in de wereld waren. Ze antwoordde dat ze niet veel geluk had gehad en naar New York was gegaan waar ze enige tijd werk had gehad waarbij ze proeven van een medisch woordenboek moest corrigeren, maar dat haar gezondheid eronder leed en dat ze nu weer terug ging naar Boston. Toen de dienstmeid kwam om ons te vertellen dat we naar bed moesten, merkte ik op dat ik bang was en waagde het weer om te beweren dat alle vrouwen in het huis gek leken te zijn. De meid stond erop dat ik naar bed zou gaan. Ik vroeg of ik niet op de trap mocht zitten, maar ze zei vastbesloten: "Nee; iedereen in het huis zou denken dat je gek was." Uiteindelijk stond ik ze toe om een kamer voor me klaar te maken.

Hier moet ik in mijn verhaal een nieuw personage met name introduceren. Het gaat om de vrouw die een proeflezer was geweest en terug wilde keren naar Boston. Ze was ene mevrouw Caine, die even moedig als goedhartig was. Ze kwam in mijn kamer en ging lange tijd bij me zitten en praatte met me, maakte mijn haren zachtjes los. Ze probeerde me over te halen om me uit te kleden en naar bed te gaan, maar ik bleef koppig weigeren. In de tussentijd hadden een aantal huisgenoten zich om ons heen verzameld. Ze uitten zich op verschillende manieren. "Arme gek!", zeiden ze."Nou ze is echt gek!" "Ik ben bang om hier met zo’n gek in huis te blijven." "Ze heeft ons tegen de ochtend allemaal vermoord." Eén vrouw wilde dat er een politieagent zou worden geroepen om me daar weg te halen. Ze waren allemaal vreselijk bang.

Niemand wilde de verantwoordelijkheid voor me op zich nemen en de vrouw die de kamer met me deelde, verklaarde dat ze niet bij 'die gekke vrouw' wilde blijven, zelfs niet voor al het geld van de Vanderbilts*. Toen zei mevrouw Caine dat ze wel bij mij zou blijven. Ik zei dat ik dat graag wilde. Dus werd ze bij mij achtergelaten. Ze kleedde zich niet uit, maar ging op bed liggen, terwijl ze al mijn bewegingen in de gaten hield. Ze probeerde me over te halen om te gaan liggen, maar ik was bang om daaraan toe te geven. Ik wist namelijk dat als ik dat eenmaal zou doen, ik in slaap zou vallen en zo aangenaam en vredig zou slapen als een kind. Het was niet uit te sluiten dat ik mezelf dan zou verraden. Dus stond ik erop om op de rand van het bed te zitten en wezenloos voor me uit te staren. Mijn arme kamergenote werd er belabberd en ongelukkig van. Om de paar minuten stond ze op om naar me te kijken. Ze vertelde dat mijn ogen vreselijk fel glansden en begon toen allemaal vragen te stellen, waar ik had gewoond, hoe lang ik al in New York verbleef, wat ik allemaal had gedaan en nog allemaal andere dingen. Op haar vragen gaf ik maar één antwoord – ik vertelde haar dat ik alles was vergeten, dat sinds mijn hoofdpijn was begonnen, ik me niks meer kon herinneren.

Arme ziel! Wat behandelde ik haar wreed en wat was ze goedhartig! Hoe ik ze allemaal martelde! Eén van ze had over me gedroomd, had een nachtmerrie. Nadat ik ongeveer een uur in de kamer was, werd ik opgeschrikt door het geschreeuw van een vrouw in de naburige kamer. Ik begon me in te beelden dat ik al echt in een krankzinnigengesticht was.

Mevrouw Caine werd wakker, keek om zich heen, was bang en luisterde. Ze ging vervolgens naar de naburige kamer en ik hoorde dat ze een  vrouw vragen stelde. Toen ze terugkwam, vertelde ze me dat de vrouw een vreselijke nachtmerrie had gehad. Ze had over mij gedroomd. Ze had me gezien, zei ze, op haar afstormend met een mes in mijn hand, met de bedoeling om haar te vermoorden. Terwijl ze van me probeerde te ontsnappen kon ze gelukkig heel hard schreeuwen en werd zo wakker uit haar nachtmerrie. Toen ging mevrouw Caine weer naar bed, tamelijk opgewonden, maar slaperig.

Ik was ook uitgeput, maar ik had mezelf schrap gezet voor het werk en was vastbesloten om de hele nacht op te blijven om zo de rol die ik op me had genomen tot de ochtend vol te houden. Ik hoorde dat het middernacht werd. Ik moest nog zes uur wachten tot het zou dagen. De tijd ging ondraaglijk langzaam. Minuten werden uren. De geluiden in het huis en de straat verstomden. Vrezend dat de slaap mij in zijn greep zou krijgen, begon ik op mijn leven terug te kijken. Hoe vreemd allemaal! Eén gebeurtenis, nog zo onbeduidend, is toch weer een link die ons ketent aan ons onveranderlijke lot. Ik begon bij het begin en herleefde mijn levensverhaal. De herinnering aan oude vrienden kwam weer met een aangename sensatie tot leven; oude vijandigheid, oud hartzeer, oude vreugdes waren weer aanwezig. De omgeslagen bladzijdes van mijn leven waren weer teruggeslagen en het verleden werd het heden. Toen ik klaar was, richtte ik mijn gedachten vol moed naar de toekomst, me eerst afvragend wat de volgde dag zou brengen, daarna plannen makend om mijn project uit te voeren. Ik vroeg me af of ik erin zou slagen om de rivier over te steken naar het doel van mijn vreemde ambitie, om uiteindelijk een bewoner te worden van de vertrekken waar mijn mentaal gebroken zusters verbleven. En dan, eenmaal binnen, wat zouden dan mijn ervaringen zijn? En daarna? Hoe kom ik eruit? Bah! zei ik, ze zullen me eruit krijgen.

Dat was de geweldigste nacht van mijn leven. Een paar uur lang stond ik oog in oog met mezelf.

Ik keek uit het raam en verwelkomde vreugdevol de kleine fonkeling van de zonsopgang. Het werd lichter en grijs, maar de stilte was nog steeds opvallend aanwezig. Mijn kamergenote sliep. Ik had nog steeds een uur of twee te overbruggen. Gelukkig vond ik een bezigheid voor mijn geest. Robert Bruce**  had gedurende zijn gevangenschap vertrouwen in de toekomst gekregen en de tijd zo aangenaam mogelijk gedood door te kijken hoe de gevierde spin zijn web aan het bouwen was. Ik had minder edel ongedierte dat mijn aandacht trok. Toch denk ik dat ik een aantal waardevolle ontdekkingen in de natuurgeschiedenis heb gedaan. Ik stond op het punt om in weerwil van mezelf in slaap te vallen toen ik plotseling klaarwakker schrok. Ik dacht dat ik iets hoorde kruipen en vallen op de sprei met een bijna onhoorbare plof.

Ik had de gelegenheid om deze interessante dieren grondig te onderzoeken. Ze waren klaarblijkelijk voor het ontbijt gekomen en waren tamelijk teleurgesteld dat hun hoofdgerecht er niet was. Ze renden op en neer, kwamen bijeen, leken een interessante conversatie te houden, en waren in alle opzichten ontdaan over de afwezigheid van een smakelijk ontbijt. Na een nogal lange beraadslaging verdwenen ze uiteindelijk, op zoek naar andere slachtoffers, mij achterlatend, de lange minuten doorbrengend door naar kakkerlakken te kijken, wiens grootte en beweeglijkheid mij nogal verrasten.

Mijn kamergenote was lange tijd in diepe slaap, maar werd nu wakker en was verrast dat ik nog steeds wakker was en klaarblijkelijk nog zo fris als een hoentje. Ze was vriendelijk als altijd. Ze kwam naar me toe en pakte mijn handen vast en probeerde me gerust te stellen en vroeg me of ik niet naar huis wilde. Ze hield me boven tot bijna iedereen het huis uit was en bracht me toen naar de kelder voor koffie en een broodje. Na in stilte gegeten te hebben, ging ik terug naar mijn kamer waar ik ging zitten kniezen. Mevrouw Caine werd steeds ongeruster. "Wat nu?", bleef ze maar uitroepen. "Waar zijn je vrienden?" "Nee", antwoordde ik, "Ik heb geen vrienden, maar ik heb een paar koffers. Waar zijn ze? Ik wil ze hebben." De goede vrouw probeerde me te kalmeren door te zeggen dat ze er op tijd zouden zijn. Ze dacht dat ik krankzinnig was.

Toch vergeef ik het haar. Pas als men in de problemen belandt, realiseert men hoe weinig medeleven en vriendelijkheid er in de wereld is. De vrouwen in het Huis die niet bang voor me waren, wilden zich ten koste van mij vermaken en hadden me dus lastig gevallen met vragen en opmerkingen die in het geval ik echt krankzinnig was geweest, wreed en onmenselijk zouden zijn geweest. Maar één vrouw hier, de mooie en fijngevoelige mevrouw Caine, had ware vrouwelijke gevoelens getoond. Ze droeg de anderen op te stoppen met pesten en ging in het bed liggen van de vrouw die weigerde bij mij in de buurt te slapen. Ze protesteerde tegen het voorstel om me alleen te laten en me ‘s nachts op te sluiten, zodat ik niemand kwaad kon doen. Ze stond erop om bij me te blijven om me zo nodig hulp te kunnen bieden. Ze streek mijn haren glad en waste mijn gezicht en kalmeerde me zoals een moeder bij een ziek kind zou doen. Ze probeerde me op allerlei manieren te overtuigen naar bed te gaan en te rusten en toen het bijna ochtend was, stond ze op en wikkelde een deken om me heen uit vrees dat ik kou zou vatten; toen kuste ze mijn voorhoofd en fluisterde vol medeleven:

"Arme kind, arm kind!"

Hoe bewonderde ik de moed en vriendelijkheid van die kleine vrouw. Hoe ik ernaar verlangde om haar gerust te stellen en te fluisteren dat ik niet krankzinnig was en ik hoopte dat als er ooit een meisje in de ongelukkige toestand verkeerde die ik veinsde, ze iemand zou ontmoeten die in het bezit was van dezelfde medemenselijkheid als mevrouw Ruth Caine.


⃰ De Vanderbilts zijn een prominente en vroeger zeer rijke familie in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Ze zijn van Nederlands-Amerikaanse afkomst.  (bron: Wikipedia)                   

⃰  ⃰ Robert the Bruce leefde in de twaalfde en dertiende eeuw en was de koning van Schotland. Volgens de legende kwam hij na het verliezen van een slag in een grot terecht waar hij zich drie maanden schuilhield. Hij dacht eraan om zijn strijd op te geven en het land te verlaten tot zijn oog op een spin viel die een web aan het bouwen was. De spin viel ontelbare malen, maar slaagde er uiteindelijk in om zijn web af te bouwen. Robert the Bruce kreeg hierdoor nieuwe moed en nam de strijd weer op en vertelde zijn mannen om nooit op te geven, maar keer op keer weer op te staan. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten