maandag 12 november 2018

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 7: Het doel in zicht.

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 7
Het doel in zicht.

Om 6 uur zondagochtend 25 september trokken de verpleegsters de lakens van mijn bed. “Kom, het is tijd om op te staan”, zeiden ze, openden het raam en lieten de kou naar binnen. Mijn kleding werd aan mij teruggegeven. Nadat ik me had aangekleed, lieten ze zien waar de wasbak was waar alle patiënten hun gezichten probeerden te ontdoen van alle slaapsporen. Om 7 uur kregen we een of andere verschrikkelijke rotzooi voorgeschoteld dat volgens Mary kippenbouillon was. De kou, waar we de vorige dag al genoeg onder hadden geleden, was bitter en toen ik erover klaagde tegen de verpleegster, zei ze dat het één van de regels van de instelling was om de verwarming niet vóór oktober aan te doen, dus moesten we het ondergaan, terwijl de stoomleidingen nog niet eens in orde waren. De nachtzusters, bewapend met scharen, begonnen manicure te spelen met de patiënten. Ze knipten mijn nagels tot het vlees, net als bij een aantal andere patiënten. Kort daarna maakte een knappe jonge dokter zijn opwachting en werd ik naar de zitkamer geleid.

“Wie bent u?”, vroeg hij.

“Nellie Moreno”, antwoordde ik.

“Waarom gaf u dan de naam Brown op?”, vroeg hij. “Wat is er mis met u?”

“Niks. Ik wilde hier niet naartoe, maar ze brachten me toch. Ik wil weg. Waarom laat u me er niet uit?”

“Als ik u naar buiten breng, blijft u dan bij mij? Rent u dan niet van me weg als u op straat bent?”

“Ik kan niet beloven dat ik dat niet doe”, antwoordde ik met een glimlach en een zucht, omdat hij knap was.

Hij stelde me nog vele andere vragen. Zag ik ooit gezichten op de muur? Hoorde ik ooit stemmen om me heen? Ik antwoordde hem zo goed mogelijk.

“Hoort u ooit stemmen ’s nachts?”, vroeg hij.

“Ja, er wordt zoveel gepraat dat ik niet kan slapen.”

“Dat dacht ik al”, zei hij tegen zichzelf. Daarna wendde hij zich tot mij en vroeg: “Wat zeggen deze stemmen?”

“Nou, ik luister er niet altijd naar. Maar soms, erg vaak, praten ze over Nellie Brown en wat betreft andere onderwerpen interesseren ze me niet zo”, antwoordde ik naar waarheid.

“Zo is het genoeg”, zei hij tegen juffrouw Scott, die buiten stond.

“Kan ik gaan?”, vroeg ik.

“Ja”, zei hij met een tevreden glimlach, “we ze zullen u gauw wegsturen.”

“Het is zo erg koud hier, ik wil naar buiten”, zei ik.

“Dat is waar”, zei hij tegen juffrouw Scott. “De kou hier is bijna ondragelijk en er zullen gevallen van longontsteking optreden als u niet voorzichtig bent.”

Hierna werd ik weggeleid en werd er een andere patiënt binnengelaten. Ik zat net buiten de deur en was benieuwd hoe hij de geestelijke gezondheid  van de andere patiënten zou testen. Op wat kleine variaties na was het onderzoek precies hetzelfde als dat van mij. Alle patiënten werd gevraagd of ze gezichten op de muur zagen, stemmen hoorden en wat ze zeiden. Ik moet er ook aan toevoegen dat iedere patiënt ontkende zoiets merkwaardig buitenissigs te hebben gezien of gehoord. Om 10 uur kregen we een kop ongezouten runderbouillon*; om 12 uur ’s middags wat koud vlees en een aardappel, om 3 uur een kop havermoutpap en om 5.30 een kop thee en een snee brood zonder boter. We hadden het allemaal koud en waren hongerig. Nadat de dokter vertrokken was, kregen we sjaals en werd ons gezegd dat we de gang op en neer moesten lopen om warm te worden. Gedurende de dag werd de afdeling door een aantal mensen bezocht die nieuwsgierig waren naar het gekke meisje uit Cuba. Ik hield mijn hoofd bedekt onder het voorwendsel het koud te hebben, uit angst dat een aantal verslaggevers me zouden herkennen. Sommige bezoekers waren op zoek naar een vermist meisje, want ik werd regelmatig gedwongen om mijn sjaal af te doen en nadat ze me hadden bekeken, zeiden ze: “Ik ken haar niet”, of: “Zij is het niet”, waarvoor ik stiekem dankbaar was. Bewaker O’Rourke kwam me bezoeken en probeerde me te onderzoeken. Daarna bracht hij op verschillende tijdstippen een paar goed geklede vrouwen en een aantal heren mee om een blikje te werpen op de mysterieuze Nellie Brown.

De verslaggevers waren het meest zorgwekkend. Het waren er zoveel! En ze waren allemaal zo slim en intelligent dat ik vreselijk bang was dat ze zouden ontdekken dat ik geestelijk niks mankeerde. Ze waren erg vriendelijk en aardig tegen me en erg zachtmoedig met al hun vragen. De bezoeker van de vorige avond kwam naar het raam toe, terwijl een aantal verslaggevers mij aan het interviewen waren in de zitkamer en zei tegen de verpleegster dat ze me mochten zien, aangezien ze van pas konden komen bij het vinden van enige aanwijzing over mijn identiteit.

’s Middags kwam dr. Field me onderzoeken. Hij stelde maar een paar vragen en één ervan had niks met de zaak te maken. De grootste vraag ging over waar ik vandaan kwam en mijn vrienden en of ik minnaars had gehad of ooit getrouwd was geweest. Toen liet hij mij mijn armen strekken en mijn vingers bewegen, wat ik zonder aarzeling deed, toch hoorde ik hem zeggen dat mijn zaak hopeloos was. De andere patiënten werden dezelfde vragen gesteld.

Net toen de dokter de afdeling wilde verlaten, ontdekte juffrouw Tillie Mayard dat ze op de krankzinnigenafdeling zat. Ze ging naar dr. Field toe en vroeg waarom ze daarnaartoe was gestuurd.

“Heeft u net pas ontdekt dat u in een krankzinnigengesticht bent?”, vroeg de dokter.

“Ja; mijn vrienden zeiden dat ze me naar een herstellingsafdeling zouden sturen om behandeld te worden voor een zenuwaandoening waaraan ik sinds mijn ziekte lijdt. Ik wil hier onmiddellijk weg.”

“Nou, u zult hier niet snel weg kunnen”, zei hij met een snelle glimlach.

“Als u ook maar iets weet, antwoordde ze, “dan zou u in staat moeten zijn, vast te stellen dat ik geheel bij zinnen ben. Waarom test u me niet?”

“Op dat punt weten we alles wat we willen weten”, zei de dokter en liet het arme meisje achter, veroordeeld tot het krankzinnigengesticht, waarschijnlijk haar hele leven, zonder haar ook maar een kans te geven te bewijzen dat ze geestelijk gezond is.

Zondag was slechts een herhaling van zaterdag. De hele nacht werden we wakker gehouden door het gepraat van de verpleegsters en hun zware stappen door de kale gangen. Op maandagmorgen werd ons verteld dat we om 1.30 weggebracht zouden worden. De verpleegsters stelden me onophoudelijk vragen over waar ik vandaan kwam en iedereen had het idee dat ik een minnaar had gehad die me had verstoten en mijn hersens had verwoest. De ochtend bracht veel journalisten met zich mee. Wat zijn ze onvermoeibaar in hun zoektocht naar nieuws. Juffrouw Scott weigerde echter om mij te laten zien en hiervoor was ik dankbaar. Als ze vrije toegang tot mij hadden gekregen, zou ik waarschijnlijk niet lang meer een mysterie zijn geweest, want velen kende me van gezicht. Bewaker O’Rourke kwam me voor een laatste keer bezoeken en een praatje met me maken. Hij noteerde zijn naam in mijn notitieboekje, terwijl hij tegen de verpleegster zei dat ik alles binnen een uur vergeten zou zijn. Ik glimlachte en bedacht dat ik daar niet zo zeker van was. Er kwamen andere mensen langs die me wilde zien, maar niemand kende me of kon enige informatie over me verschaffen.

Het werd middag. Ik werd nerveus, omdat het bijna tijd werd om naar het eiland te vertrekken. Ik werd bang voor iedere nieuwkomer, vrezend dat mijn geheim op het laatste moment onthuld zou worden. Toen kreeg ik een sjaal en mijn hoed en handschoenen. Ik kon ze bijna niet aandoen, mijn zenuwen waren heel erg gespannen. Eindelijk kwam de begeleider en ik nam afscheid van Mary, terwijl ik haar een paar penny’s toestopte. ”God zegene je”, zei ze; “Ik zal voor je bidden. Kop op, liefie. Je bent jong en zal dit achter je kunnen laten.” Ik zei dat ik dat hoopte en daarna zei ik juffrouw Scott vaarwel in het Spaans. De ruw uitziende begeleider draaide zijn arm om die van mij en sleurde me half mee naar de ambulance. Een menigte studenten had zich verzameld en keek nieuwsgierig naar ons. Ik sloeg de sjaal over mijn gezicht en verdween dankbaar in de wagen. Juffrouw Neville en Mayard, mw. Fox en mw. Schanz werden hierna omstebeurt in de wagen gezet. Een man ging met ons mee, de deuren werden afgesloten en we werden in stijl de poort uit gereden, op weg naar het Krankzinnigengesticht en de overwinning! De patiënten deden geen poging om te ontsnappen. De adem van de mannelijke bewaker was genoeg om je te doen duizelen.

Toen we de kade bereikten, drong er zich zo’n menigte mensen om de wagen heen dat de politie moest worden geroepen om ze weg te jagen, zodat we de boot konden bereiken. Ik was de laatste in de rij. Ik werd de plank op begeleid, de frisse bries blies de whisky-adem van mijn begeleider in mijn gezicht, totdat ik steigerde. Ik werd naar een vieze cabine gebracht waar mijn metgezellen op een smalle bank zaten. De kleine vensters waren gesloten en samen met de geur van de vieze kamer was de lucht verstikkend. Aan een kant van de kamer was een slaapbank die in zo’n staat verkeerde dat ik mijn neus dicht moest knijpen als ik er in de buurt kwam. Er lag een ziek meisje op. Een oude vrouw met een enorme hoed en een vieze mand gevuld met stukken brood en stukjes vleesafval maakte ons gezelschap compleet. De deur werd bewaakt door twee vrouwelijke begeleiders. Eentje was gekleed in een jurk gemaakt van een hoeslaken en de ander had een poging gedaan om zich stijlvol te kleden. Het waren lompe, stevige vrouwen en ze spuwden tabakssap op de grond op een wijze die meer behendig dan charmant te noemen was. Eén van deze angstaanjagende wezens leek veel vertrouwen te hebben in de kracht van een blik, want als één van ons bewoog of uit het hoge venster wilde kijken, zei ze: “Ga zitten”, fronste dan haar wenkbrauwen en had dan zo’n woeste blik in haar ogen die gewoonweg angstaanjagend was. Terwijl ze de deur bewaakten, praatten ze met enkele mannen buiten. Ze hadden het over het aantal patiënten en over hun eigen zaken op een manier die noch verheffend, noch verfijnd was.

Aan boord van de eilandboot.


De boot stopte en de oude vrouw en het zieke meisje werden eraf gehaald. De rest van ons werd opgedragen stil te zitten. Bij de volgende halte werden mijn metgezellen eraf gehaald, een voor een. Ik was de laatste en scheen de begeleiding van een man en een vrouw nodig te hebben om me van de plank af te leiden om de oever te bereiken. Daar stond een ambulance waar de andere vier patiënten al in zaten.

“Wat is dit voor plek?”, vroeg ik de man wiens vingers in mijn arm verzonken lagen.

“Blackwell’s Island, een krankzinnigengesticht waar je nooit meer uit zult komen.”

Dit gezegd hebbende, werd ik in de ambulance geduwd, de springplank werd omhoog geschoven, een agent en een postbode sprongen er van achteren op en ik werd snel naar het krankzinnigengesticht van Blackwell’s Island gebracht.

*In de negentiende eeuw kregen patiënten vaak ‘beef tea’ te drinken. Dit was een bouillon gemaakt van rundvlees en water en werd vaak gegeven bij spijsverteringsproblemen, koorts en zwakheid. Men geloofde in die tijd dat dit drankje voedzaam was en ervoor zorgde dat men weer de oude werd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten