maandag 5 november 2018

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 6: In het Bellevue Ziekenhuis

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 6
In het Bellevue Ziekenhuis.

Eindelijk hadden we het Bellevue bereikt, de derde halte op weg naar het eiland. Ik had de beproevingen in het Huis en de Essex Market rechtbank succesvol doorstaan en nu was ik er zeker van dat ik niet zou falen. De ambulance kwam met een ruk tot stilstand en de dokter sprong eruit. “Hoeveel hebben jullie er?”, hoorde ik iemand informeren. “Maar eentje, voor het paviljoen”, was het antwoord. Een ruig uitziende man kwam naar voren en pakte me vast en probeerde me eruit te sleuren alsof ik de kracht van een olifant had en weerstand zou bieden. De dokter, die mijn blik vol walging zag, beval hem om me met rust te laten, en zei dat hij zelf voor me zou zorgen. Hij haalde me toen voorzichtig uit de ambulance en ik liep met de gratie van een koningin langs de nieuwsgierige menigte die zich had verzameld om te zien wie de nieuwe ongelukkige was. Samen met de dokter ging ik een klein donker kantoor binnen waar verscheidene mannen aanwezig waren. Degene achter het bureau opende een boek en begon aan de lange rits vragen die al zo vaak gesteld waren.

Ik weigerde om te antwoorden en de dokter zei dat het niet nodig was om me verder nog lastig te vallen, dat alle papieren in orde waren en ik te krankzinnig was om iets te vertellen dat enig licht op mijn zaak zou kunnen werpen. Ik was opgelucht dat het hier zo makkelijk ging, hoewel nog steeds onbevreesd, begon ik me slap en hongerig te voelen. Toen werd het bevel gegeven om me naar de krankzinnigenafdeling te brengen en een gespierde man kwam naar voren en hield me zo stevig vast dat er een pijnscheut door mijn lichaam schoot. Het maakte me woedend en gedurende een moment vergat ik mijn rol toen ik me naar hem omdraaide en zei:

“Hoe durf je me aan te raken? Toen maakte hij zijn greep wat losser en schudde ik hem van me af met meer kracht dan ik besefte dat ik bezat.

“Ik ga alleen met deze man mee”, zei ik, wijzend naar de ambulancedokter. “De rechter zei dat hij voor me moest zorgen en ik ga met niemand anders mee.”

Toen zei de ambulancedokter dat hij me wel zou meenemen en zo gingen we verder arm in arm, gevolgd door de man die eerst zo ruw tegen me was geweest. We kwamen langs de afdelingen voor de beter bedeelden en uiteindelijk bereikten we de krankzinnigenafdeling. Daar stond een witgekapte verpleegster klaar om me te ontvangen.

“Dit jonge meisje wacht hier op de boot”, zei de dokter en daarna wilde hij me verlaten. Ik smeekte hem niet te gaan of om me mee te nemen, maar hij zei dat hij eerst wilde eten en dat ik daar op hem moest wachten. Toen ik erop stond om hem te vergezellen, beweerde hij dat hij moest assisteren bij een amputatie en dat het er niet goed voor mij uit zou zien om daarbij aanwezig te zijn. Het was duidelijk dat hij geloofde met een krankzinnige te maken te hebben.  Precies op dat moment kwamen er de meest verschrikkelijke waanzinnige kreten uit de binnenplaats achterin. Al mijn dapperheid ten spijt voelde ik koude rillingen bij het vooruitzicht om opgesloten te worden met een medemens die echt krankzinnig was. De dokter merkte klaarblijkelijk mijn angst op, want hij zei tegen de verzorger:

“Wat maken de timmerlui toch een herrie.”

Hij draaide zich naar mij om en legde me uit dat er nieuwe gebouwen uit de grond gestampt werden en dat dat lawaai afkomstig was van een aantal werklui die ermee bezig waren. Ik vertelde hem dat ik daar niet zonder hem wilde blijven en hij kalmeerde me door te beloven dat hij snel terug zou keren. Hij verliet me en nu was ik eindelijk een bewoner van een krankzinnigengesticht.

Ik stond bij de deur en overdacht de situatie die ik voor mij zag. De lange onbeklede gang was op zo'n wijze wit geschrobd die alleen in openbare gebouwen aangetroffen wordt. Achterin de gang waren grote ijzeren deuren die waren afgesloten met een hangslot. Een aantal verlaten banken en wilgenstoelen waren de enige meubelstukken. Aan iedere kant van de gang waren deuren die leidden naar wat ik aannam, en wat ook zo bleek te zijn, slaapkamers. Bij de ingang, aan de rechterhand, was een kleine zitkamer voor de verpleegsters en daar tegenover was een kamer waar het avondeten werd geserveerd. Een verpleegster in een zwarte jurk, witte kap en schort en uitgerust met een stel sleutels, had de leiding over de gang. Ik zou al snel achter haar naam komen, juffrouw Ball.

Een oude Ierse vrouw was het manusje van alles. Ik hoorde dat ze Mary heette en ik ben blij dat daar zo’n goedhartige vrouw aanwezig is. Ik heb alleen maar vriendelijkheid en volledige zorgzaamheid van haar ontvangen. Er waren maar drie patiënten, zoals ze werden genoemd. Ik was de vierde. Ik dacht dat ik maar het beste meteen aan het werk moest gaan, want ik verwachtte nog steeds dat de eerste de beste dokter me geestelijk gezond zou verklaren en me weer de wijde wijde wereld in zou sturen. Ik ging daarom naar de achterzijde van de kamer en stelde me voor aan één van de vrouwen en stelde haar allemaal vragen. Haar naam, zei ze, was juffrouw Anne Neville en ze was ziek geworden door overwerk. Ze had gewerkt als kamermeisje en toen haar gezondheid verslechterde, werd ze naar een Huis voor Zusters gestuurd om te herstellen. Haar neef, een ober, had geen werk en omdat hij de kosten van het Huis niet kon betalen, liet hij haar overplaatsen naar het Bellevue.

“Is er ook geestelijk iets mis met je?”, vroeg ik haar.

“Nee”, zei ze. “De dokters stelden me allerlei vreemde vragen en brachten me zoveel mogelijk in verwarring, maar er is niks mis met mijn hersens.”

“Weet je dat alleen krankzinnigen naar dit paviljoen worden gestuurd?”, vroeg ik.

“Ja, dat weet ik; maar ik kan er niks aan doen. De dokters weigeren om naar me te luisteren en het is zinloos om iets tegen de verpleegsters te zeggen.”

Ik was om verschillende redenen tevreden dat juffrouw Neville net als ik geestelijk gezond was en verplaatste mijn aandacht naar een van de andere patiënten. Ik ontdekte dat deze medische hulp nodig had en mentaal erg verward was, hoewel ik veel vrouwen met een lagere achtergrond heb gezien wiens geestelijke gezondheid nooit in twijfel is getrokken en die niet veel slimmer waren.

De derde patiënt, mw. Fox, zei niet veel. Ze was erg rustig en nadat ze me had verteld dat haar zaak hopeloos was, weigerde ze nog te praten. Ik begon me nu zekerder van mijn zaak te voelen en ik nam mezelf voor dat, zolang ik de hoop had mijn missie te volbrengen, geen enkele dokter mij ervan zou overtuigen dat ik geestelijk in orde was. Een kleine verpleegster met een lichte huid arriveerde en nadat ze haar kapje had opgezet, zei ze tegen juffrouw Ball dat ze moest gaan eten. De nieuwe verpleegster met de naam juffrouw Scott kwam naar mij toe en zei onbehouwen:

“Doe je hoed af.”

“Ik zal mijn hoed niet afdoen”, antwoordde ik. “Ik wacht op de boot en ik zal hem niet afdoen.”

“Nou, je gaat met geen enkele boot mee. Je kunt het beter nu horen dan later. Je bent in een krankzinnigengesticht.”

Hoewel ik me hier volledig bewust van was, bezorgden haar onverbloemde woorden mij een schok. “Ik wilde hier niet naartoe; ik ben niet ziek of krankzinnig en ik zal hier ook niet blijven”, zei ik.

“Het zal heel lang duren voordat je hieruit komt als je niet doet wat er gezegd wordt”, antwoordde juffrouw Scott. “Je kunt maar beter je hoed afdoen of ik zal geweld gebruiken en als het mij niet lukt, hoef ik maar een bel aan te raken of krijg ik assistentie. Wil je hem nu afdoen?”

“Nee, dat doe ik niet. Ik heb het koud en ik wil mijn hoed ophouden en je kunt me niet dwingen hem af te doen.”

“Ik zal je nog een paar minuten geven en als je hem dan nog niet af hebt gedaan, zal ik geweld gebruiken en ik waarschuw je dat het er niet vriendelijk aan toe zal gaan.”

“Als jij mijn hoed afdoet, zal ik jouw kapje afdoen: zo.”

Juffrouw Scott werd toen naar de deur geroepen en omdat ik bang was dat een woedeaanval misschien zou verraden dat ik geestelijk niks mankeerde, deed ik mijn hoed en handschoenen af en zat rustig rond te kijken toen ze terugkwam. Ik had honger en was erg blij toen ik zag dat Mary voorbereidingen aan het treffen was voor het avondeten. De voorbereidingen waren eenvoudig. Ze trok alleen maar een rechte bank naar een onbedekte tafel en beval de patiënten om zich rond het ‘feestmaal’ te verzamelen; toen bracht ze een klein tinnen bord met een stuk gekookt vlees en een aardappel. Het had niet kouder kunnen zijn geweest als het de week ervoor klaargemaakt was en het had geen schijn van kans om kennis te maken met zout of peper. Ik ging niet naar de tafel toe, dus kwam Mary naar het hoekje waar ik zat en terwijl ze me het tinnen bord gaf, vroeg ze:

“Heb je wat muntjes bij je, liefje?”

“Wat?”, zei ik verbaasd.

“Heb je wat muntjes bij je, liefje, die je me kunt geven. Ze pakken ze sowieso allemaal van je af, dus dan kun je ze net zo goed aan mij geven.”

Ik had het nu goed begrepen, maar ik was niet van plan om Mary al in zo’n vroeg stadium geld te geven, bang dat het invloed zou hebben op de manier waarop ze me zou behandelen, dus zei ik dat ik mijn portemonnee was verloren, wat eigenlijk wel zo was. Ondanks het feit dat ik Mary geen geld gaf, was ze erg aardig tegen me. Toen ik protesteerde tegen het tinnen bord waarop ze mijn eten had gebracht, gaf ze me een porseleinen bord en toen ik het onmogelijk achtte om het voedsel te eten dat ze me had aangeboden, gaf ze me een glas melk en een cracker.

Alle ramen in de gang waren open en de koude lucht begon greep te krijgen op mijn zuidelijke bloed. Het werd werkelijk zo koud dat het haast ondraaglijk was en ik klaagde tegen juffrouw Scott en juffrouw Ball. Maar ze antwoordden kortaf dat dit een liefdadigheidsinstelling was en ik dus niet meer kon verwachten. Alle andere vrouwen leden kou en de verpleegsters zelf moesten dikke kleding dragen om zichzelf warm te houden. Ik vroeg of ik naar bed mocht. Ze zeiden: “Nee!” Uiteindelijk pakte juffrouw Scott een oude grijze sjaal en zei, na er wat motten uit te hebben geschud, dat ik hem om moest doen.

“Het is een nogal slecht uitziende sjaal”, zei ik.

“Nou, sommigen mensen zouden wat beter met anderen opschieten als ze niet zo trots waren”, zei juffrouw Scott. “Mensen die liefdadigheid aannemen, zouden niks moeten verwachten en zouden niet moeten klagen.”

Dus deed ik de door moten aangevreten sjaal om, me omringend met zijn muffe geur, en ging op een rieten stoel zitten, me afvragend wat zou volgen, of ik dood zou vriezen of het zou overleven. Mijn neus was erg koud, dus bedekte ik mijn hoofd en viel half in slaap toen de sjaal plotseling van mijn gezicht werd gerukt en een vreemde man en juffrouw Scott voor me stonden. De man bleek de arts te zijn en zijn eerste groet was:

“Ik heb dat gezicht eerder gezien.”

“Dan kent u me dus?”, vroeg ik, met een groot vertoon van enthousiasme dat ik niet voelde.

“Dat denk ik inderdaad. Waar komt u vandaan?”

“Van thuis.”

“Waar is thuis?”

“Weet u dat niet? Cuba.”

Toen ging hij naast me zitten, voelde aan mijn pols en onderzocht mijn tong en zei uiteindelijk:

“Vertel juffrouw Scott alles over uzelf.”

“Nee, dat wil ik niet. Ik wil niet met vrouwen praten.”

“Wat doet u in New York?”

“Niks.”

“Kunt u werken?”

“Nee, senor.”

“Vertel eens, bent u een publieke vrouw?”

“Ik begrijp u niet”, antwoordde ik vol afschuw.

“Ik bedoel of u mannen hebt toegestaan u te onderhouden en bij ze te blijven?”

Ik had zin om hem in het gezicht te slaan, maar ik moest me beheersen, dus zei ik eenvoudigweg:

“Ik weet niet waar u het over heeft. Ik heb altijd thuis gewoond.”

Na veel meer vragen, die zowel nutteloos als dwaas waren, liet hij me met rust en begon met de verpleegster te praten. “Duidelijk krankzinnig”, zei hij. Ik beschouw het als een hopeloze zaak. Ze moet ergens naartoe waar iemand voor haar kan zorgen.”


Duidelijk krankzinnig.


En zo was ik langs de tweede medische expert gekomen.

Hierna begon ik minder achting te krijgen voor de competentie van dokters en een grotere achting voor mezelf. Ik was er nu zeker van dat geen enkele dokter kon bepalen of mensen krankzinnig waren of niet, zolang het niet om een gewelddadige zaak ging.

Later op de dag kwamen er een jongen en een vrouw binnen. De vrouw ging op een bank zitten, terwijl de jongen naar binnen ging en met Juffrouw Scott praatte. Niet lang daarna kwam hij naar buiten en, na slechts gedag te hebben geknikt naar de vrouw die zijn moeder was, vertrok hij. Ze zag er niet krankzinnig uit, maar omdat ze Duits was, kon ik niks over haar te weten komen. Haar naam was in ieder geval Mw. Louise Schanz. Ze zag er verloren uit, maar toen de verpleegsters haar wat naaiwerk aanboden, deed ze haar werk goed en snel. Om drie uur ’s middags kregen alle patiënten balkenbrij en om vijf uur een kop thee en een stuk brood. Ik werd voorgetrokken; want toen ze zagen dat het voor mij onmogelijk was om het brood te eten of het spul te drinken dat thee werd genoemd, gaven ze me een kop melk met een cracker, hetzelfde dat ik als middagmaal had gekregen.

Net toen de gaslampen werden aangestoken, kwam er nog een patiënt bij. Het was een jong meisje, vijfentwintig jaar oud. Ze vertelde dat ze net van haar ziekbed was hersteld. Haar uiterlijk bevestigde haar verhaal. Ze zag eruit als iemand die een zware koortsaanval had gehad. “Ik lijd nu aan een zenuwaandoening”, zei ze, “en mijn vrienden hebben me hierheen gestuurd om ervoor te worden behandeld.” Ik vertelde haar niet waar ze was en ze leek tamelijk tevreden. Om 6.15 zie juffrouw Ball dat ze weg wilde en dat we allemaal naar bed moesten. Toen kreeg ieder van ons – we waren nu met ons zessen- een kamer toegewezen en werd ons verteld dat we ons moesten uitkleden.  Dat deed ik en ik kreeg toen een korte katoen flanellen nachtjapon. Toen pakte ze ieder kledingstuk dat ik die dag had gedragen en, nadat ze er een bundel van had gemaakt, hing ze er een label aan met de naam ‘Brown’ en bracht het weg. Het venster met de ijzeren spijlen was op slot en, nadat ze me een extra deken had geven, wat volgens haar een zeldzame gunst was, ging juffrouw Ball weg en liet me alleen achter. Het bed was niet comfortabel. Het was hard, werkelijk, ik kon er geen deuk in maken; en het kussen was gevuld met stro. Onder het laken lag een sprei gemaakt van zeildoek. Toen de nacht kouder werd, probeerde ik het zeildoek te verwarmen. Ik bleef het proberen, maar toen de dag aanbrak, was het nog net zo koud als toen ik naar bed was gegaan en had het me ook gereduceerd tot de temperatuur van een ijsberg. Ik gaf deze onmogelijke taak op.

Ik had gehoopt dat ik tijdens mijn eerste nacht in een krankzinnigengesticht wat rust zou krijgen. Maar dat bleek een diepe teleurstelling. Toen de nachtverpleegsters binnenkwamen waren ze nieuwsgierig naar mij en wilde ze weten hoe ik was. Ze waren nog maar net weg of ik hoorde iemand informeren naar Nellie Brown en ik begon te beven, altijd bang dat mijn geestelijk toestand werd ontdekt. Toen ik naar het gesprek luisterde, kwam ik erachter dat er een verslaggever naar me op zoek was en ik hoorde hem naar mijn kleding vragen, zodat hij die kon onderzoeken. Ik luisterde nogal zenuwachtig naar het gepraat over mij en was opgelucht te horen dat ik beschouwd werd als hopeloos krankzinnig. Dat was bemoedigend. Nadat de verslaggever was vertrokken, hoorde ik nieuwe patiënten arriveren en hoorde ik dat er een dokter was die me wilde zien. Wat de reden was, wist ik niet en ik stelde me allemaal vreselijke dingen voor, zoals onderzoeken enzovoort en toen ze bij mijn kamer aankwamen, rilde ik niet alleen van angst.

“Nellie Brown, hier is een dokter; hij wil met je praten”, zei de verpleegster. Als dat alles was wat hij wilde, dacht ik, dan kon ik het doorstaan. Ik haalde de deken weg die ik door mijn plotselinge angst over me heen had geslagen en keek op. Wat ik zag, was geruststellend.

Hij was een knappe jonge man. Hij had de houding en het voorkomen van een heer. Sommige mensen hebben zijn handelswijze sindsdien bekritiseerd; maar ik ben er zeker van, ook al was het een beetje indiscreet, dat de jonge dokter alleen maar vriendelijk tegen me wilde zijn. Hij kwam naar voren, ging naast me op bed zitten en sloeg zijn arm troostend om mijn schouders. Het was een verschrikkelijke taak om me voor deze jongeman als krankzinnig voor te moeten doen en alleen een meisje kan mijn situatie begrijpen.

“Hoe voelt je je vanavond, Nellie?” vroeg hij op zijn gemak.

“Oh, ik voel me goed.”

“Maar je bent ziek, weet je,” zei hij.

“Oh, is dat zo?” antwoordde ik en draaide mijn hoofd naar het kussen en glimlachte.

“Wanneer heb je Cuba verlaten, Nellie?”

“Oh, kent u mijn thuisland?”

“Ja, heel erg goed. Herinner je je mij niet? Ik weet nog wel wie jij bent.”

“Echt?”, en ik zei bij mezelf dat ik hem niet moest vergeten. Hij was in het gezelschap van een vriend die nooit een opmerking maakte, maar me stond aan te staren terwijl ik in bed lag. Na heel veel vragen naar waarheid te hebben beantwoord, ging hij weg. Toen kwamen er andere problemen. De hele avond lazen de verpleegsters elkaar hardop voor en ik weet dat ik en de andere patiënten niet konden slapen. Elk halfuur of uur liepen ze met zware stappen door de gangen, de hielen van hun laarzen weerklonken als de mars van een groep dragonders, en namen een kijkje bij iedere patiënt. Natuurlijk zorgde dit ervoor dat we wakker bleven. Toen het tegen de ochtend liep, begonnen ze eieren te klutsen voor het ontbijt en het geluid herinnerde me eraan hoe vreselijk hongerig ik was. Af en toe klonk er gegil uit de mannenafdeling en dat hielp niet om de nacht wat vrolijker door te komen. En dan nog de ambulance-gong die, terwijl hij meer patiënten afleverde, klonk als een doodsklok voor leven en vrijheid. En zo bracht ik mijn eerste nacht als krankzinnig meisje in het Bellevue door.


Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 7


Geen opmerkingen:

Een reactie posten