maandag 14 januari 2019

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 14: Een aantal onfortuinlijke verhalen

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 14
Een aantal onfortuinlijke verhalen.

Tegen deze tijd had ik in gang 6 met een groot aantal van de vijfenveertig vrouwen kennis gemaakt. Laat me er een paar introduceren. Louise, een mooi Duits meisje waarover ik al eerder had verteld dat ze ziek van de koorts was, verkeerde in de waan dat de geesten van haar dode ouders bij haar waren. Ik ben veel geslagen door juffrouw Grady en haar assistenten”, zei ze, “en ik ben niet in staat om het verschrikkelijke voedsel te eten dat ze ons geven. Ik hoor niet gedwongen te worden om te bevriezen, omdat ik fatsoenlijke kleding wil. Oh! Ik bid iedere nacht dat ik naar mijn papa en mama wordt gebracht. Op een nacht toen ik opgesloten zat in het Bellevue, kwam dr. Field; Ik lag in bed en was moe van het onderzoek. Uiteindelijk zei ik: “Ik ben moe van dit alles. Ik zal nooit meer lopen.” “Oh nee?”, zei hij woedend. “Ik zal wel zien of ik je niet kan dwingen.” Dat gezegd hebbende, legde hij zijn kruk aan de kant van het bed, en, toen hij er op was gaan staan, kneep hij me heel hard in de ribben. Ik sprong meteen op uit bed en zei: “Wat wilt u hiermee zeggen?” “Ik wil je leren om te gehoorzamen als ik tegen je praat”, antwoordde hij. Kon ik maar doodgaan en bij papa zijn!” Toen ik wegging, lag ze op bed met koorts en misschien is  haar wens tegen deze tijd wel in vervulling gegaan.

Tijdens mijn verblijf is of was er een Française in gang 6, waarvan ik overtuigd ben dat ze geheel bij zinnen was. Iedere dag observeerde ik haar en praatte ik met haar, behalve de laatste drie dagen, ik was niet in staat om enige waan of manie in haar te bespeuren. Haar naam was Josephine Despreau, als dat goed gespeld is, en haar man en al haar vrienden zijn in Frankrijk. Josephine is zich duidelijk bewust van haar situatie. Haar lippen trillen en ze barst in tranen uit als ze over haar hulpeloze situatie praat. “Hoe ben je hier terecht gekomen?”, vroeg ik.

“Op een ochtend, terwijl ik het ontbijt probeerde te eten, werd ik doodziek en twee agenten werden geroepen door de vrouw des huizes en ik werd naar het politiebureau gebracht. Ik begreep hun procedures niet en ze besteedden weinig aandacht aan mijn verhaal. De gewoontes in dit land waren nieuw voor mij en voordat ik het wist werd ik als een krankzinnige naar dit gesticht gestuurd. Toen ik er pas was, huilde ik, omdat ik hier was zonder enige hoop op vrijlating, en vanwege het huilen wurgden juffrouw Grady en haar assistenten mij tot ze mijn keel hadden bezeerd, sindsdien is hij altijd pijnlijk.

Een kleine jonge Hebreeuwse vrouw sprak zo slecht Engels dat ik haar verhaal alleen van de verpleegsters kende. Ze zeiden dat ze Sarah Fischbaum heet en dat haar man haar in het gesticht had gestopt, omdat ze van andere mannen hield. Gesteld dat ze gek was, en op mannen, laat me dan vertellen hoe de verpleegsters haar probeerde te genezen(?). Ze riepen haar en zeiden dan:

“Sarah, zou je niet graag een aardige jonge man willen hebben?”

“Oh ja, een jonge man is goed”, antwoordde Sarah dan in haar beperkte Engels.

“Nou, Sarah, wil je niet dat we een goed woordje bij een aantal dokters voor je doen? Zou je niet graag één van de dokters willen hebben?”

En dan vroegen ze aan welke dokter ze de voorkeur had en adviseerden haar om avances naar hem te maken als hij de gang bezocht, enzovoorts.

Ik had een aantal dagen met vrouw met een bleke huid opgetrokken en  haar geobserveerd en het was mij een raadsel waarom ze daarnaartoe was gestuurd, ze was zo goed van verstand.

“Waarom ben je hier gekomen?”, vroeg ik haar op een dag, nadat we in een lang gesprek verwikkeld waren geweest.

“Ik was ziek”, antwoordde ze.

“Ben je geestelijk ziek?”, drong ik aan.

“Oh nee; hoe kom je daar nu bij? Ik was overwerkt en heb een zenuwinzinking gehad. Wegens familieproblemen en omdat ik geen geld had en nergens naar toe kon, had ik een verzoek bij de commissarissen ingediend om naar een armenhuis te worden gestuurd, totdat ik weer kon gaan werken.

“Maar ze sturen hier geen arme mensen heen, behalve als ze krankzinnig zijn”, zei ik. “Weet je dan niet dat ze hier alleen gestoorde vrouwen of vrouwen die dat zouden moeten zijn, naartoe sturen?”

“Toen ik hier aankwam, wist ik dat de meerderheid van deze vrouwen gestoord was, maar ik geloofde ze toen ze me vertelden dat dit de plek was waar ze alle armen naartoe sturen die een verzoek tot hulp indienden, zoals ik.”

“Hoe ben je behandeld?”, vroeg ik. “Nou, tot nu toe heb ik aan een afranseling kunnen ontsnappen, alhoewel ik ziek werd van de aanblik ervan en de vele verhalen erover. Toen ik hiernaartoe werd gebracht, deden ze me in bad, terwijl het juist voor de ziekte waarvoor ik behandeld moest worden en waaraan ik leed, noodzakelijk was om niet te baden. Maar ze stopten me er toch in en mijn pijnen waren nog weken erna vreselijk verergerd.

Ene mw. McCartney, wiens man een kleermaker is, lijkt volledig bij haar verstand en bezit geen enkele eigenaardigheid. Mary Hughes en mw. Louise Schanz vertoonden geen duidelijke tekenen van krankzinnigheid.

Op een dag werden er twee nieuwkomers aan de lijst toegevoegd. Eentje was een idioot, Carrie Glass, en de ander was een leuk uitziend Duits meisje, ze leek erg jong en toen ze binnenkwam, hadden alle patiënten het over haar aangename voorkomen en haar schijnbare gezonde verstand. Haar naam was Margaret. Ze vertelde dat ze een kokkin was geweest en dat ze heel erg netjes was. Op een dag had ze de keukenvloer geschrobd en kwamen de kamermeisjes naar beneden en maakte hem expres weer vies. Ze verloor haar zelfbeheersing en begon met ze te ruziën; een agent werd gebeld en ze werd naar een gesticht gebracht.

“Hoe kunnen ze zeggen dat ik krankzinnig ben, alleen maar omdat ik me niet kon beheersen?”, klaagde ze. “Andere mensen worden niet voor gek uitgemaakt als ze kwaad worden. Ik denk dat het enige wat je kunt doen, is je rustig houden en zo een afranseling vermijden die ik anderen heb zien ontvangen. Niemand kan iets over me zeggen. Ik doe alles wat er van me wordt verlangd en al het werk dat me wordt gegeven. Ik gehoorzaam in alle opzichten en doe alles om te bewijzen dat ik geestelijk gezond ben.

Op een dag werd er een krankzinnige vrouw binnengebracht. Ze was luidruchtig en juffrouw Grady gaf haar een pak slaag en een blauw oog. Toen de dokters het opmerkten en vroegen of dit was gebeurd voordat ze daar was gearriveerd, zeiden de verpleegsters dat dat het geval was.

Toen ik in gang 6 was, hoorde ik de verpleegsters nooit met de patiënten communiceren, behalve om ze uit te schelden of tegen ze te schreeuwen, of om ze te pesten. Ze besteedden veel tijd aan het roddelen over de dokters en andere verpleegsters op een wijze die niet erg geestverheffend was. Juffrouw Grady doorspekte haar gesprekken altijd met grof taalgebruik en begon haar zinnen meestal met het aanroepen van de Heer. Ze sprak met de meest laag-bij-de-grondse en grove bewoordingen over haar patiënten. Op een avond ruziede ze, terwijl we aten, met een andere verpleegster over het brood en toen de verpleegster weg was, schold ze haar uit en maakte lelijke opmerkingen over haar. 

‘s Avonds kwam er altijd een vrouw, waarvan ik aannam dat ze de hoofdkok voor de dokters was, rozijnen, druiven, appels en crackers naar de verpleegsters brengen. Stel je de gevoelens van de hongerige patiënten voor als ze daar zaten en toe moesten kijken hoe de verpleegsters aten wat voor hen een luxe droom was.

Op een middag sprak dr. Dent met een patiënte, mw. Turney, over de problemen die ze met een verpleegster had. Korte tijd nadat we naar beneden waren gebracht voor het eten, zat de vrouw die mw. Turney had afgeranseld en waarover dr. Dent had gesproken, bij de deur van onze eetzaal. Plotseling pakte mw. Turney haar kom thee, en, gooide hem, terwijl ze deur uit rende, naar de vrouw die haar had geslagen. Er volgde luid gegil en mw. Turney keerde terug naar haar plek. De volgende dag werd ze overgeplaatst naar de ‘touwbende' die zou bestaan uit de meest gevaarlijke en suïcidale vrouwen van het eiland.

In het begin kon ik niet slapen en wilde ik dat ook niet, zolang ik iets nieuws kon horen. ’s Nachts hadden de verpleegsters hier waarschijnlijk over geklaagd. In ieder geval kwamen ze op een nacht binnen en probeerden me te dwingen om een of ander goedje uit een glas te laten drinken ‘om me te laten slapen’. Ik zei dat ik dat niet van plan was en toen gingen ze weg, voor de gehele nacht, hoopte ik. Tevergeefs, binnen een paar minuten kwamen ze terug met een dokter, dezelfde die ons had ontvangen bij onze aankomst. Hij stond erop dat ik het zou innemen, maar ik was vastbesloten om mijn verstand niet te verliezen, zelfs niet voor een paar uren. Toen hij zag dat ik niet overgehaald kon worden, werd hij nogal ruw en zei dat hij al te veel tijd aan me had verspild. Als ik het niet innam, zou hij het met een naald in mijn arm spuiten. Het kwam bij me op dat als hij het in mijn arm zou spuiten, ik er niet vanaf kon komen, maar als ik het zou inslikken, zou er nog hoop zijn, dus zei ik dat ik het zou innemen. Ik rook eraan en het rook naar laudanum* en het was een vreselijke dosis. Zodra ze de kamer hadden verlaten en me hadden opgesloten, probeerde ik uit hoe ver mijn vingers in mijn keel konden gaan en het kalmeringsmiddel zijn werking ergens anders kon uitproberen.

Ik wil wel zeggen dat de nachtzuster, Burns, in gang 6, erg aardig en geduldig leek te zijn tegen de arme lijdende mensen. De andere verpleegsters deden een aantal pogingen om met mij over minnaars te praten en vroegen of ik er een zou willen hebben. Ze vonden me niet erg spraakzaam over het -voor hen- populaire onderwerp.

Eén keer per week krijgen de patiënten een bad en dat is de enige keer dat ze zeep te zien krijgen. Op een dag overhandigde een patiënte me een stuk zeep ter grootte van een vingerhoed, ik beschouwde haar vriendelijkheid als een groot compliment, maar ik bedacht dat zij de goedkope zeep meer zou waarderen dan ik en dus bedankte ik haar en weigerde het aan te nemen. Op baddag wordt het bad met water gevuld en worden de patiënten één voor één gewassen zonder dat het water wordt ververst. Dit wordt gedaan tot het water echt troebel is geworden en dan pas mag het bad geleegd worden en wordt het weer gevuld zonder dat het gewassen wordt. Dezelfde handdoeken worden voor alle vrouwen gebruikt, voor zowel degenen met als zonder eczeem. De gezonde patiënten vechten voor schoon water, maar ze zijn gedwongen om zich aan de wil van de luie tirannieke verpleegsters te onderwerpen. De jurken worden zelden meer dan eens per maand verschoond. Als de patiënt bezoek krijgt, heb ik gezien dat de verpleegsters haar snel naar buiten jagen en haar jurk verschonen, voordat de bezoeker arriveert. Zo wordt de schijn opgehouden van een zorgzaam en goed management.

De patiënten die niet in staat zijn om voor zich zelf te zorgen, komen in beestachtige omstandigheden terecht en de verpleegsters kijken niet naar ze om, maar geven het bevel aan een aantal patiënten om op ze te letten.

Vijf dagen lang waren we verplicht om de hele dag in de kamer te zitten. Ik heb er nog nooit zoveel tijd ingestoken. Elke patiënt was stijf, had pijn en was moe. We zaten in kleine groepen op de banken en martelden onze magen door te bedenken wat we als eerste zouden eten als we hieruit kwamen. Als ik niet had geweten hoe hongerig ze waren en de treurige kant van de zaak niet had gekend, zou het gesprek erg grappig zijn geweest. Zoals het ervoor stond, maakte het me alleen maar verdrietig. Als er genoeg was gepraat over eten, dat het meest favoriete onderwerp leek te zijn, gaven ze hun mening over de instellingen en hun management. De veroordeling van de verpleegsters en het eten was unaniem.

Met het verstrijken van de dagen werd de toestand van juffrouw Tillie Mayard slechter. Ze had het constant koud en was niet in staat het aangeboden voedsel te eten. Dag na dag zong ze om haar geheugen te behouden, maar uiteindelijk moest ze er van een verpleegster mee ophouden. Ik praatte dagelijks met haar en het deed me verdriet om te zien dat het zo snel slechter met haar ging. Uiteindelijk kreeg ze een waan. Ze dacht dat ik me als haar probeerde voor te doen en dat alle mensen die Nellie Brown wilden zien, vrienden waren die haar zochten, maar dat ik ze op een of andere manier probeerde te misleiden, zodat ze dachten dat ik het meisje was. Ik probeerde haar tot rede te brengen, maar dat was onmogelijk, dus hield ik zoveel mogelijk afstand, voor het geval mijn aanwezigheid haar toestand verergerde en haar verbeelding voedde.

Eén van de patiënten, mw. Cotter, een mooie delicate vrouw, dacht op een dag dat haar man de trap op kwam lopen. Ze verliet de lijn waarbinnen ze moest lopen en rende naar hem toe. Voor deze daad werd ze naar de Opvang gebracht. Achteraf zei ze hierover:

“De herinnering daaraan is genoeg om me gek te maken. Als ik huilde, sloegen de verpleegsters me met een bezemsteel en sprongen op me, verwondden me inwendig, zodat ik er nooit overheen zal komen. Daarna bonden ze mijn handen en voeten vast, en, nadat ze een laken over mijn hoofd hadden gegooid, trokken ze het strak rond mijn keel, zodat ik niet kon schreeuwen, en gooiden me dan in een badkuip gevuld met koud water. Ze hielden me onder water, totdat ik alle hoop had opgegeven en gevoelloos werd. Andere keren pakten ze mijn oren vast en sloegen mijn hoofd op de grond of tegen de muur. Daarna trokken ze mijn haren met wortel en al uit, zodat ze nooit meer terug zouden groeien.

Mw. Cotter liet me de bewijzen van haar verhaal zien, de deuk in haar achterhoofd en de kale plekken waar plukken haar waren uitgetrokken. Dit is haar verhaal in zo duidelijk mogelijke bewoordingen: “Mijn behandeling was niet zo erg als ik bij anderen daarbinnen heb gezien, maar mijn gezondheid is er door geruïneerd en zelfs als ik hier ooit uit kom, zal ik een wrak zijn. Toen mijn man over mijn behandeling hoorde, dreigde hij het openbaar te maken als ik niet werd overgeplaatst, dus werd ik hierheen gebracht. Ik voel me nu geestelijk wel goed. Al de oude angst heeft me verlaten en de doktoren hebben me beloofd dat mijn man me mee naar huis mag nemen.”

Ik maakte kennis met Bridget McGuinness die toentertijd geestelijk gezond leek. Ze zei dat ze naar Opvang 4 was gestuurd en bij de ‘touwbende’ was gezet: “De afranselingen die ik daar kreeg waren verschrikkelijk. Ik werd bij de haren rondgesleept, onder water gehouden tot ik stikte en ik werd gewurgd en geschopt. De verpleegsters zetten altijd een rustige patiënt op wacht om te waarschuwen of een van de dokters naderde. Het was een hopeloze zaak om tegen de dokters te klagen, want ze zeiden altijd dat het de verbeelding van onze zieke hersenen was, en daarnaast zouden we weer geslagen worden wegens het doorvertellen. Ze hielden patiënten onder water en dreigden ze daar te laten sterven als ze niet beloofden niets tegen de dokters te vertellen. We beloofden het allemaal, want we wisten dat de dokters ons niet zouden helpen en we zouden alles doen om straf te ontlopen. Nadat ik een raam had gebroken, werd ik naar de Lodge overgeplaatst, de ergste plaats op het eiland. Het is er verschrikkelijk vies en de stank is afschuwelijk. In de zomer barst het van de vliegen. Het voedsel is erger dan op andere afdelingen en we krijgen alleen maar tinnen borden. In plaats van dat de tralies aan de buitenkant zijn, zoals op deze afdeling, zijn ze daar aan de binnenkant. Er zijn daar veel rustige patiënten die er al jaren verblijven, maar de verpleegsters houden ze daar om het werk te doen. Naast de afranselingen die ik daar kreeg, sprong er een keer een verpleegster op mij en brak twee van mijn ribben.

“Toen ik daar verbleef, werd er een mooi jong meisje binnen gebracht. Ze was ziek geweest en vocht tegen het feit dat ze naar zo’n smerige plek werd gestuurd. Op een avond namen de verpleegsters haar mee en, nadat ze haar hadden afgeranseld, hielden ze haar naakt vast in een koud bad en gooiden haar toen op haar bed. Toen de ochtend aanbrak, was ze dood. De dokters zeiden dat ze was gestorven door stuiptrekkingen en dat was het enige wat ermee gedaan werd.

“Ze injecteren zoveel morfine en chloraalhydraat** dat de patiënten er gek van worden. Ik heb gezien dat de patiënten helemaal wild om water werden door de bijwerkingen van het medicijn en de verpleegsters weigerden het ze te geven. Ik hoorde vrouwen een hele nacht om één druppel water smeken, maar ze kregen die niet. Ikzelf huilde om water tot mijn mond zo verdord en droog was dat ik niet meer kon praten.”

Ik zag hetzelfde in gang 7. De patiënten smeekten om wat te drinken, voordat ze naar bed gingen, maar de verpleegsters-juffrouw Hart en de anderen-weigerden de badkamer open te doen om ze hun dorst te laten lessen.


*Laudanum bestaat uit opium en wijn en werd gebruikt als geneesmiddel en kalmeringsmiddel. Dit middel is zeer verslavend en bij te hoge inname zelfs gevaarlijk. Tegenwoordig wordt het niet meer gebruikt.

**Een kalmeringsmiddel dat in de negentiende eeuw veelvuldig werd gebruikt om patiënten rustig te houden. Het is een zeer verslavend medicijn en heeft veel onaangename bijwerkingen.


Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 15


Geen opmerkingen:

Een reactie posten