maandag 21 januari 2019

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 15: Gebeurtenissen in het gestichtsleven

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 15
Gebeurtenissen in het gestichtsleven.

Op de afdelingen is er weinig waarmee je de tijd kunt doden. Alle kleding wordt door de patiënten zelf gemaakt, maar naaien houdt de geest niet actief. Na een aantal maanden opgesloten te hebben gezeten, worden de gedachten aan de drukke buitenwereld vager en het enige wat de arme gevangenen kunnen doen, is zitten en over hun hopeloze lot mijmeren. In de bovenste gangen is er een goed uitzicht op de passerende boten en New York. Vaak probeerde ik me, terwijl ik door de tralies naar de vaag glinsterende lichten van de stad keek, voor te stellen hoe ik me zou voelen als ik niemand had die voor mijn vrijlating zou zorgen.

Ik heb patiënten vol verlangen zien staan staren naar de stad die ze naar alle waarschijnlijkheid nooit meer zullen betreden. Het betekent vrijheid en leven; het lijkt zo dichtbij, en toch kan de hemel niet verder verwijderd zijn van de hel.

Verlangen de vrouwen naar huis? Behalve de meest gewelddadige gevallen, zijn ze zich ervan bewust dat ze in een inrichting zitten. Het enige verlangen dat nooit sterft, is die van de vrijlating, van de terugkeer naar huis.

Een arm meisje vertelde me elke ochtend: “Ik droomde vannacht van mijn moeder. Ik denk dat ze vandaag misschien komt en me mee naar huis neemt.” Die ene gedachte, dat verlangen, is altijd aanwezig, toch zit ze er al zo’n vier jaar opgesloten.

Wat is krankzinnigheid toch een mysterieus iets. Ik heb patiënten gezien wiens lippen met een eeuwige stilte zijn verzegeld. Ze leven, ademen, eten; de menselijke vorm is aanwezig, maar dat ene waar het lichaam zonder kan, maar niet zonder het lichaam kan bestaan, ontbreekt. Ik heb me afgevraagd of er achter die verzegelde lippen dromen waren die we niet kenden, of wat als er alleen leegte was?

Toch, even treurig zijn die gevallen waarbij de patiënten altijd praten met onzichtbare mensen. Ik heb gezien hoe ze zich geheel onbewust zijn van hun omgeving en verdiept zijn in een onzichtbare aanwezigheid. Toch wordt, vreemd genoeg, elk bevel dat ze wordt gegeven, opgevolgd, op ongeveer dezelfde manier waarop een hond zijn baas gehoorzaamt. Eén van de meelijwekkendste wanen was die van een blauwogig Iers meisje dat geloofde dat ze door één daad in haar leven voor altijd verdoemd was. Haar afschuwelijke schreeuw, ’s ochtends en ’s avonds: “Ik ben verdoemd voor de eeuwigheid!”, vervulde mijn ziel met afschuw. Haar doodsangst leek een glimp van de hel.

Nadat ik was overgeplaatst naar gang 7 werd ik elke avond opgesloten met zes gekke vrouwen. Twee van ze leken nooit te slapen, maar waren de hele nacht aan het raaskallen. Eentje kroop uit haar bed en kroop in de kamer rond op zoek naar iemand die ze wilde vermoorden. Ik kan alleen maar denken aan hoe makkelijk het voor haar was om één van de andere patiënten aan te vallen die met haar opgesloten was. Het maakte de nacht er niet makkelijker op.

Een vrouw van middelbare leeftijd die altijd in de hoek van de kamer zat, had een vreemde aandoening. Ze had een stuk krant en ze las er steeds de wonderlijkste dingen uit voor die ik ooit had gehoord. Ik zat vaak in haar buurt om naar haar te luisteren. Geschiedenis en romantiek kwamen beiden even makkelijk van haar lippen.

Ik heb maar één keer een brief overhandigd zien worden aan een patiënt. Het wekte grote nieuwsgierigheid op. Elke patiënt leek dorstig naar de wereld en ze dromden zich samen rond de gelukkige en stelden honderden vragen.

Bezoekers zijn van weinig belang en zorgen voor veel opgewektheid. Op een dag speelde juffrouw Mattie Morgan, in gang 7, ter ontspanning van een aantal bezoekers. Ze stonden dicht bij haar, totdat iemand fluisterde dat ze een patiënt was. “Gek”, fluisterden ze hoorbaar, terwijl ze zich terugtrokken en haar alleen lieten. Ze was zowel geamuseerd als verontwaardigd over dit voorval. Juffrouw Mattie zorgt er met behulp van een aantal meisjes die ze heeft opgeleid voor dat de avonden in gang 7 aangenaam verlopen. Ze zingen en dansen. Vaak komen de dokters erbij en dansen dan met de patiënten.

Op een dag, toen we naar beneden gingen voor het diner, hoorde we een zwakke schreeuw in de kelder. Iedereen leek het op te merken en het duurde niet lang of we wisten dat er daar beneden een baby was. Ja, een baby. Denkt u dat eens in -een kleine onschuldige baby geboren in zo’n kamer van verschrikkingen! Ik kan me niks ergers indenken.

Er kwam eens een bezoeker langs met een baby in haar armen. Een moeder die gescheiden was van haar vijf kleine kinderen, vroeg toestemming om hem vast te houden. Toen de bezoeker weg wilde gaan, was het verdriet van de moeder oncontroleerbaar, ze smeekte de baby te mogen houden waarvan ze zich inbeeldde dat hij van haar was. Het zorgde voor meer opwinding onder de patiënten dan ik ooit eerder had gezien.

Het enige vermaak, als het zo genoemd kan worden, dat de patiënten buiten krijgen, is, als het weer het toelaat, een wekelijks ritje op de draaimolen. Het is eens wat anders en dus accepteren ze het met enig vertoon van plezier.




2 opmerkingen: