maandag 17 december 2018

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 12: Een wandeling met krankzinnigen

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 12
Een wandeling met krankzinnigen.

Ik zal nooit mijn eerste wandeling vergeten. Toen alle patiënten de witte strohoeden op hadden gedaan, van het soort die badgasten op Coney Island dragen, kon ik alleen maar lachen om hun komische verschijning. Ik kon de ene vrouw niet van de andere onderscheiden. Ik raakte juffrouw Neville kwijt en moest mijn hoed afdoen om haar te gaan zoeken. Toen we elkaar hadden gevonden, deden we onze hoeden op en lachten naar elkaar. Twee aan twee vormden we een rij en, in de gaten gehouden door de bewakers, begonnen we via een achterweggetje aan onze wandeling.

We hadden nog niet veel stappen gezet, toen ik lange rijen vrouwen zag die vooraf gingen aan iedere wandeling, bewaakt door verpleegsters. Wat waren het er veel! Overal waar ik keek, kon ik ze zien, in de rare jurken, met komische strohoeden en sjaals, langzaam rond marcherend. Ik keek uitgelaten naar de passerende rijen en de aanblik liet een rilling van afschuw over me heen gaan. Lege ogen en nietszeggende gezichten en uit hun mond kwam inhoudsloze onzin. Toen er een rij passeerde, merkte zowel mijn neus als mijn ogen op dat ze vreselijk vies waren. 

“Wie zijn dat?”, vroeg ik aan een patiënt in de buurt.

Ze worden beschouwd als gewelddadigste vrouwen van het eiland”, antwoordde ze. Ze komen van de Lodge, het eerste gebouw met de hoge trap.” Sommigen schreeuwden, sommigen scholden, anderen zongen of baden of preekten, wat er net in ze opkwam, en ze vormden het meest ellendige deel van de mensheid dat ik ooit had gezien. Toen het kabaal van hun passage in de verte verdween, verscheen er een ander tafereel dat ik nooit zal vergeten:

Een lang kabeltouw bevestigd aan brede leren gordels, en deze gordels waren vastgemaakt om het middel van tweeënvijftig vrouwen. Aan het eind van het touw zat een zware ijzeren kar vast en daarin zaten twee vrouwen, één verzorgde een zere voet, de ander schreeuwde naar een aantal verpleegsters en zei: “Als je me slaat, dan zal ik dat niet vergeten. Wil je me vermoorden”, en dan moest ze snikken en huilen. De vrouwen ‘aan het touw’ zoals ze werden genoemd, waren ieder bezig met hun eigen grillen. Sommige schreeuwden de hele tijd. Eentje met een blauw oog zag dat ik naar haar keek en draaide zich zo ver als ze kon van me af, pratend en lachend, met die vreselijke angstaanjagende blik van totale waanzin op haar gezicht gedrukt. De dokters kunnen haar zaak veilige beoordelen. De verschrikking van die aanblik voor iemand die nog nooit eerder in de buurt van een gestoorde persoon was geweest, was ongehoord.

“Moge God ze helpen!”, fluisterde juffrouw Neville. “Het is zo verschrikkelijk dat ik niet kan kijken.”

En ze gingen verder, maar hun plaats werd ingenomen door weer anderen. Kunt u zich de aanblik voorstellen? Volgens één van de artsen zijn er 1600 krankzinnige vrouwen op Blackwell’s Island.

Gek! Wat kan er half zo verschrikkelijk zijn? Mijn hart trilde van medelijden toen ik naar een oude grijsharige vrouw keek die doelloos tegen de lucht sprak. Eén vrouw had een dwangbuis aan en twee vrouwen moesten haar meeslepen. Kreupel, blind, oud, jong, huislijk en mooi; een zinloos deel van de mensheid. Geen lot kon erger zijn.

Ik keek naar de mooie lanen, waarvan ik ooit dacht dat ze een troost boden aan de arme wezens die op het Eiland waren opgesloten, en lachte om mijn eigen stommiteit. Wat voor vreugde biedt het hen? Ze mogen niet op het gras – het is er alleen om naar te kijken. Ik zag een aantal patiënten gretig en liefkozend een boomvrucht of een gekleurd blad oppakken dat op het pad gevallen was. Maar ze mochten ze niet houden. De verpleegsters dwongen ze altijd om het kleine beetje troost van God weg te gooien.

Rustige gevangenen maken een wandeling.


Toen ik een laag bijgebouw passeerde waar een menigte van hulpeloze krankzinnigen gevangen zat, las ik een motto op de muur: “Leven is hoop”. De absurditeit ervan trof me diep. Ik zou het volgende boven de poorten van het gesticht hebben willen zetten: “Hij die deze plek betreedt, laat alle hoop varen.”

Tijdens de wandeling ergerde ik me vreselijk aan verpleegsters die over mijn romantische verhaal hadden gehoord en aan degenen die de leiding over ons hadden vroegen welke van de vrouwen ik was. Ik werd herhaaldelijk aangewezen.

Het duurde niet lang voordat het tijd was voor het avondeten en ik had zo’n honger dat ik het idee had dat ik alles kon eten. Hetzelfde oude verhaal van het drie kwartier wachten in de gang werd herhaald, voordat we naar ons eten konden. De kommen waarin we onze thee hadden gehad, waren nu gevuld met soep en op één bord was één koude gekookte aardappel en een stuk rundvlees dat na nadere inspectie lichtelijk bedorven was. Er waren geen messen of vorken en de patiënten zagen er tamelijk wild uit toen ze het taaie rundvlees met hun vingers pakten en eraan trokken met hun tanden. De tandelozen of degenen met slechte tanden konden het niet eten. Er werd één eetlepel gegeven voor de soep en een stuk brood was het toetje. Boter werd nooit toegestaan, noch koffie of thee. Juffrouw Mayard kon niet eten en ik zag dat veel zieken zich afwendden van walging. Ik was erg zwak aan het worden door het tekort aan eten en probeerde een sneetje brood te eten. Na een paar happen liet de honger zich gelden en was ik in staat om alles te eten, behalve de korsten van die ene snee.

Opzichter Dent liep door de zitkamer, met af en toe hier en daar een “Hoe maakt u het?” “Hoe gaat het met u vandaag?” aan de patiënten. Zijn stem was zo koud als de gang en de patiënten maakten geen aanstalten om hem over hun lijdensweg te vertellen. Ik zei tegen sommigen dat ze moesten vertellen hoe ze onder de kou leden en dat ze niet voldoende kleding hadden, maar ze antwoordden dat de verpleegster ze zou slaan als dat zouden vertellen. Ik werd echt moe van het zitten op die banken. Een aantal patiënten ging voor de verandering op één voet zitten of zijdelings, maar ze werden altijd terecht gewezen en bevolen om recht te zitten. Als ze praatten, werden ze uitgescholden en werd ze verteld dat ze hun mond moesten houden; als ze rond wilden lopen om de stijfheid te verjagen, werd ze verteld om te gaan zitten en stil te zijn. Wat, behalve marteling, zou eerder tot krankzinnigheid leiden dan deze behandeling? Hier was een groep vrouwen die hier naartoe was gestuurd om beter te worden. Ik zou willen dat de specialisten die me veroordelen, een keer een geestelijk en lichamelijk gezonde vrouw zouden opsluiten en haar van 6 uur ’s ochtends tot 8 uur ’s avonds op rechte banken lieten zitten, haar niet toestaan tijdens deze uren te praten of zich te bewegen, haar niks te lezen of kennis van de wereld te geven, haar slecht eten en een slechte behandeling te geven, en dan zien hoe lang het duurt voordat ze gek wordt. Ze zou na twee maanden geestelijk en lichamelijk een wrak zijn.

Ik heb mijn eerste dag in het gesticht beschreven en aangezien mijn andere negen over het algemeen hetzelfde waren, zou het vermoeiend zijn om over ze te vertellen. Door dit verhaal verwacht ik door velen die dit lezen, tegengesproken te worden. Ik vertel enkel in gewone woorden, zonder overdrijving, over mijn tien dagen durende verblijf in een gesticht. Het eten was één van de verschrikkelijkste dingen. Behalve de eerste twee dagen dat ik in het gesticht verbleef, was er geen zout voor het eten. De hongerige en zelfs de uitgehongerde vrouwen deden een poging om de verschrikkelijke rotzooi te eten. Er werd mosterd en azijn op het vlees en in de soep gedaan om ze smaak te geven, maar dat maakte het alleen maar erger. Zelfs dat was na twee dagen helemaal op en de patiënten moesten proberen om enkel in water gekookte vis in te slikken zonder zout, peper of boter; schapen-, rundvlees en aardappelen zonder enige spoor van kruiden. De meest gestoorden weigerden om het eten door te slikken en werden met straf bedreigd. Tijdens onze korte wandeling kwamen we langs de keuken waar eten voor de verpleegsters en dokters werd bereid. Daar vingen we een glimp op van meloenen en druiven en allerlei soorten fruit, prachtig wit brood en mooi vlees en de honger werd met een tienvoud verergerd. Ik sprak met enkele dokters, maar dat mocht niet baten en toen ik werd weggebracht, werd het vlees net ontzout.

Mijn hart deed pijn bij de aanblik van de zieke patiënten die aan tafel nog zieker werden. Ik zag dat juffrouw Tillie Mayard na een hap plotseling niet goed werd en de eetkamer uit moest rennen en hiervoor een standje kreeg. Als patiënten over het voedsel klaagden, werd ze verteld om hun mond te houden; dat ze het thuis niet zo goed zouden hebben en dat het te goed was voor liefdadigheid.

Een Duits meisje, Louise-ik ben haar achternaam vergeten-at een aantal dagen niet en uiteindelijk was ze op een ochtend afwezig. Uit de gesprekken van de verpleegsters heb ik begrepen dat ze hoge koorts had. Arm ding! Ze vertelde me dat ze onophoudelijk bad om te mogen sterven. Ik zag dat de verpleegsters een patiënt dwongen om eten naar Louises kamer te dragen dat de gezonde patiënten weigerden te eten. Natuurlijk weigerde ze het. Toen zag ik een verpleegster, juffrouw McCarten, naar haar toegaan om haar temperatuur te meten en ze kwam terug met een uitslag van 65 graden. Ik moest lachen om de uitslag en juffrouw Grupe, die het zag, vroeg wat de hoogste koorts was die ik ooit had gehad. Ik weigerde te antwoorden. Juffrouw Grady probeerde toen haar vaardigheden te tonen. Ze kwam terug met een temperatuur van 37.2 graden.

Juffrouw Tillie Mayard leed meer dan wie dan ook onder de kou en toch probeerde ze mijn advies op te volgen om vrolijk te zijn en het korte tijd vol te houden. Opzichter Dent bracht een man mee om me te onderzoeken. Hij voelde mijn pols en mijn hoofd en onderzocht mijn tong. Ik vertelde hen hoe koud het was en verzekerde ze dat niet ik  medische hulp nodig had, maar juffrouw Mayard en dat ze hun aandacht naar haar moesten verplaatsen. Ze antwoordden niet en ik was blij toen ik zag dat juffrouw Mayard haar plek verliet en naar ze toe kwam. Ze sprak met de dokters en vertelde ze dat ze ziek was, maar ze besteedden geen aandacht aan haar. De verpleegsters kwamen en sleurden haar terug naar de bank en nadat de dokters weg waren, zeiden ze: “Na een tijdje, als je ziet dat de dokters je niet opmerken, zul je niet meer naar ze toe rennen.” Voordat de dokters weg gingen, hoorde ik er één zeggen-ik weet de exacte bewoordingen niet meer-dat mijn pols en ogen niet die van een krankzinnig meisje waren, maar opzichter Dent verzekerde hem dat in gevallen zoals die van mij, de test niet voldeed. Nadat hij me een tijdje had geobserveerd, zei hij dat hij nog nooit zo’n stralend gezicht had gezien bij een krankzinnige. De verpleegsters hadden dik ondergoed en dikke jassen aan, maar ze weigerden ons sjaals te geven.

Bijna de hele nacht lang hoorde ik een vrouw huilen om de kou en tot god bidden om haar te laten sterven. Een ander gilde met regelmatige tussenpozen “Moord!” en “Politie!” tegen anderen tot ik er kippenvel van kreeg.

De volgende ochtend, nadat we aan onze eindeloze voorbereidingen voor de dag waren begonnen, brachten twee verpleegsters, geassisteerd door een aantal patiënten, de vrouw mee die de vorige avond tot god had gebeden te mogen sterven. Haar gebeden verbaasden me niet. Ze kon makkelijk zeventig jaar zijn en ze was blind. Hoewel de gangen ijskoud waren, had die vrouw niet meer kleding dan wij aan. Toen ze naar de zitkamer werd gebracht en op de harde bank werd geplaatst, huilde ze:

“Oh, wat doen jullie me aan? Ik heb het koud, zo koud. Waarom mag ik niet in bed blijven of krijg ik geen sjaal?” en dan stond ze op en probeerde ze voor zich uit tastend de weg naar buiten te vinden. Soms trokken de bewakers haar terug op de bank en lieten haar dan weer lopen en lachten harteloos als ze tegen een tafel of hoek van de banken aanstootte. Een keer zei ze dat de zware schoenen, die ze van de liefdadigheid had gekregen, haar voeten pijn deden en trok ze uit. De verpleegsters lieten twee patiënten ze weer aandoen en toen ze dit een aantal keren had gedaan en zich tegen het aantrekken verzette, telde ik dat er zeven mensen tegelijk op haar zaten om haar schoenen weer aan te trekken. De oude vrouw probeerde toen op de bank te gaan liggen, maar ze trokken haar toen weer omhoog. Het klonk zo meelijwekkend om haar te horen huilen:

“Oh, geef me een kussen en doe de dekens over me heen, ik heb het zo koud.”

Hierna zag ik dat juffrouw Grupe ging zitten en haar koude handen over het gezicht van de oude vrouw liet gaan en daarna in de hals van haar jurk. Ze lachte kwaadaardig om het geschreeuw van de oude vrouw, net als de andere verpleegsters, waarna ze de handeling herhaalde. Die dag werd de oude vrouw naar een andere afdeling overgebracht.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten