woensdag 9 januari 2019

Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly - Hoofdstuk 13: Het verstikken en slaan van patiënten


Tien Dagen in een Gekkenhuis door Nellie Bly (1887)

Hoofdstuk 13
Het verstikken en slaan van patiënten.

Juffrouw Tilly Mayard leed vreselijk onder de kou. Op een ochtend zat ze op de bank naast me en zag ze doodsbleek van de kou. Haar ledematen rilden en haar tanden klapperden. Ik sprak de drie begeleiders aan die met hun jassen aan de tafel in het midden van de ruimte zaten.

“Het is wreed om mensen op te sluiten en ze dan te laten bevriezen”, zei ik. Ze antwoordden dat ze net zoveel aan had als de rest en dat ze niet meer zou krijgen. Op dat moment kreeg juffrouw Mayard een aanval en alle patiënten zagen er bang uit. Juffrouw Neville ving haar in haar armen op en hield haar vast, de verpleegsters zeiden botweg:

“Laat haar op de vloer vallen, dat zal haar een lesje leren.” Juffrouw Neville liet hen weten wat ze van hun gedrag vond en ik kreeg het bevel om naar het kantoor te gaan.

Net toen ik daar aankwam, kwam opzichter Dent naar de deur en ik vertelde hem dat we onder de kou leden en over juffrouw Mayards gesteldheid. Ik klonk ongetwijfeld onsamenhangend, want ik vertelde over de staat van het eten, de behandeling door de verpleegsters en hun weigering om meer kleding te geven, de gesteldheid van juffrouw Mayard en dat de verpleegsters ons vertelden dat we geen vriendelijkheid hoefden te verwachten, omdat we in een publieke instelling zaten. Hem ervan verzekerend dat ik geen medische hulp nodig had, zei ik hem dat hij naar juffrouw Mayard moest gaan. Dat deed hij. Van juffrouw Neville en andere patiënten hoorde ik wat er daarna was gebeurd. Juffrouw Mayard had nog steeds die aanval en hij pakte haar grofweg vast tussen de wenkbrauwen of ergens in die buurt en kneep tot haar gezicht donkerrood werd door het bloed dat naar haar hoofd stroomde en toen kwam ze weer bij bewustzijn. De hele dag erna had ze vreselijke hoofdpijn en vanaf dat moment ging het slechter met haar.

Krankzinnig? Ja, krankzinnig; en terwijl ik de krankzinnigheid langzaam de geest zag insluipen die eerst in orde leek te zijn, vervloekte ik stiekem de dokters, de verpleegsters en alle publieke instellingen. Sommigen zullen zeggen dat ze al krankzinnig was voordat ze in de instelling opgenomen werd. Maar als dat zo zou zijn, was dit dan de geschikte plek om een vrouw naartoe te sturen die slechts moest herstellen, om haar koude baden te geven, om haar voldoende kleding te ontzeggen en om haar verschrikkelijk eten te geven?

Deze ochtend had ik een lang gesprek met dr. Ingram, de assistent- opzichter van de instelling. Ik ontdekte dat hij vriendelijk was voor de patiënten die hij onder zijn hoede had. Ik begon weer over mijn oude klacht over de kou en hij riep juffrouw Grady naar zijn kantoor en beval haar meer kleding aan de patiënten te geven. Juffrouw Grady zei dat als ik er een gewoonte van maakte om dingen door te vertellen, dat serieuze gevolgen voor mij zou hebben, ze waarschuwde me tijdig.

Veel bezoekers die een vermist meisje zochten, kwamen mij bekijken. Op een dag schreeuwde juffrouw Grady in de deuropening van de gang naar me:

“Nellie Brown, je wordt gezocht.”

Ik ging naar de zitkamer toe aan het einde van de gang en daar zat een heer die me jaren intiem had gekend. Ik zag aan het plotselinge wit worden van zijn gezicht en zijn onvermogen om te praten dat mijn aanblik geheel onverwachts was en hem vreselijk had geschokt. In een ogenblik had ik bepaald dat als hij mijn naam zou verraden, ik zou zeggen dat ik hem nooit eerder had gezien. Ik had echter een laatste troef achter de hand en dat risico nam ik. Met juffrouw Grady vlakbij fluisterde ik snel naar hem, meer expressief dan elegant:

“Verraad me niet.”

Ik zag aan de uitdrukking in zijn ogen dat hij het begreep, dus zei ik tegen juffrouw Grady:

“Ik ken deze man niet.”

“Kent u haar?”, vroeg juffrouw Grady.

“Nee, dit is niet de jonge dame die ik zocht”, antwoordde hij met een gespannen stem.

“Als u haar niet kent, kunt u hier niet blijven”, zei ze en ze bracht hem naar de deur. Opeens sloeg de angst me om het hart dat hij zou denken dat ik hier door een fout naar toe was gebracht en het aan mijn vrienden zou vertellen en een poging zou doen om me hier weg te krijgen. Dus ik wachtte tot juffrouw Grady de deur had geopend. Ik wist dat ze hem weer moest sluiten voordat ze weg kon gaan en die tijd die ze hiervoor nodig had, zou me de gelegenheid geven om te praten, dus riep ik:

“Een moment, senor.” Hij keerde zich om en ik vroeg luid:

“Spreekt u Spaans senor?” en fluisterde toen: “Het is in orde. Ik ben met een onderwerp bezig. Hou het stil.” “Nee”, zei hij met een vreemde nadruk, waardoor ik wist dat hij het geheim zou houden.

Mensen in de wereld kunnen zich nooit de lengte van de dagen in deze instellingen voorstellen. Ze leken nooit te eindigen en we verwelkomden elke gebeurtenis die ons iets gaf om over na te denken en over te praten. Er is niks te lezen en het enige onderwerp dat nooit verveelde was om te bedenken welk heerlijk eten ze zullen krijgen zodra ze eruit zijn. Vol verwachting werd uitgekeken naar het uur dat de boot arriveerde om te zien of er nieuwe onfortuinlijken aan onze groep werden toegevoegd. Als ze arriveerden en naar de zitkamer werden gejaagd, keken de patiënten elkaar vol medeleven aan en lieten ze graag kleine blijken van interesse zien. Gang 6 was de ontvangsthal, dus zo zagen we alle nieuwkomers.

Kort na mijn komst, werd er een meisje met de naam Urena Little-Page binnengebracht. Ze was, al vanaf haar geboorte, kinderlijk en haar gevoelige plek was, zoals ook bij veel gezonde vrouwen, haar leeftijd. Ze beweerde dat ze achttien was en werd heel erg boos als het tegendeel werd beweerd. De verpleegsters kwam hier al snel achter en plaagden haar hiermee.

“Urena”, zei juffrouw Grady, “de doktoren zeggen dat je drieëndertig bent in plaats van achttien”, en de andere verpleegsters lachten. Ze bleven dit doen tot dat het simpele wezen ging schreeuwen en huilen en zei dat ze naar huis wilde en dat iedereen haar slecht behandelde. Nadat ze hun pleziertje hadden gehad en ze aan het huilen was, begonnen ze haar uit te schelden en zeiden ze dat ze haar mond moest houden. Ze werd met de minuut hysterischer tot ze op haar in begonnen te slaan, haar in het gezicht sloegen en vol energie op haar hoofd bonsden. Dit liet het arme wezen nog meer huilen en dus wurgden ze haar. Ja, ze wurgden haar echt. Daarna sleurden ze haar naar de kast toe en ik hoorde haar angstige snikken veranderen in gesmoorde snikken. Na een aantal uren afwezigheid keerde ze terug naar de zitkamer en ik zag gedurende de hele dag de duidelijke sporen van hun vingers op haar keel.

Deze straf leek hun verlangen naar meer te hebben wakker gemaakt. Ze keerden terug naar de zitkamer en kregen een oude grijsharige vrouw te pakken die zowel met mevrouw Grady als mevrouw O’Keefe werd aangesproken. Ze was krankzinnig en ze praat bijna de hele tijd tegen zichzelf en iedereen in haar buurt. Ze praatte nooit hard en op dat moment zat ze onschuldig in zichzelf te praten. Ze grepen haar vast en mijn hart deed pijn toen ze schreeuwde:

“In godsnaam, dames, laat ze me niet slaan.”

“Hou je kop, sloerie!”, zei juffrouw Grady en ze greep de vrouw bij haar grijze haren vast en sleepte haar piepend en smekend uit de kamer. Ze werd ook naar de kast gebracht en haar geschreeuw werd zachter en zachter en toen stopte het.

De verpleegsters keerden naar de kamer terug en juffrouw Grady merkte op dat ze 'de oude dwaas voor een tijdje uit de weg had geruimd.' Ik vertelde een aantal artsen over deze gebeurtenis, maar ze besteedden er geen aandacht aan. 

Een van de personages in Gang 6 was Matilda, een kleine oude Duitse vrouw, die, denk ik, krankzinnig werd nadat ze al haar geld had verloren. Ze was klein en had een roze huidskleur. Ze zorgde niet voor veel moeilijkheden, alleen soms. Ze had periodes dat ze in de stoomverwarmer praatte of op een stoel ging staan en door de ramen praatte. In deze gesprekken schold ze op de advocaten die haar bezittingen hadden afgepakt. De verpleegsters leken veel plezier te halen uit het plagen van de arme ziel. Op een dag zat ik naast juffrouw Grady en Grupe en hoorde dat ze wilden dat ze zeer gemene dingen tegen juffrouw McCarten zou zeggen. Nadat ze haar hadden opgedragen om deze dingen te zeggen, stuurden ze haar naar de andere verpleegster, maar Matilda liet zien dat ze, zelfs in haar toestand, meer verstand bezat dan zij.

“Ik kan het u niet vertellen. Het is privé”, was alles wat ze wilde zeggen. Ik zag dat juffrouw Grady, onder het voorwendsel dat ze haar iets toefluisterde, in haar oor spuugde. Matilda veegde kalm haar oor af en zei niks.








Geen opmerkingen:

Een reactie posten