vrijdag 21 juli 2017

Op ontdekkingsreis in de Surinaamse slavenregisters - Dag 5: De Schotse dokter James Balfour en plantage Berlijn


Enige tijd geleden kon men als vrijwilliger helpen om de Surinaamse slavenregisters openbaar te maken. In deze registers werden de geboorte, aankoop, sterfte en verkoop van slaafgemaakten bijgehouden. Maar wat zijn de verhalen achter deze kille boekhouding? In deze tiendelige blog wordt de (soms schokkende) ontdekkingsreis beschreven van één van deze vrijwilligers.

De zonderlinge Schotse dokter James Balfour en de slavenopstand op plantage 'Berlijn'
Vandaag een scan over de plantage Forgue in Nickerie. Tijdens een zoektocht op internet blijkt dat de plantage toentertijd eigendom was van de Schotse dokter James Balfour. Hij werd in 1777 geboren op het landgoed Fordell Muir in Dalgetty, Schotland. Een professor die James Belfour had ontmoet, beschreef in een lezing dat Balfour, die arts was in de kolonies Berbice en Demerary, de elektrische schokken van sidderalen gebruikte om reuma te behandelen.

Balfour vestigde zich uiteindelijk in Suriname en werd een zeer vermogend man. Tegen 1821 bezat hij de katoenplantages Forgue en Providence en de suikerplantages Waterloo en Hazard. Door een plantage met de bijbehorende slaven op te kopen, omzeilden plantage-eigenaren het verbod op de handel in slaven. Toen Balfour de houtplantage Berlijn aan de Parakreek met dit doel had opgekocht en de slaven naar Paramaribo had overgebracht om ze op een andere plantage in te zetten, kwamen de 200 slaven, die zich realiseerden dat ze hun familie niet meer terug zouden zien, in opstand en keerden uit protest naar de houtgrond Berlijn terug. Dit leidde tot grote spanningen. Het koloniale leger werd ingezet om de opstand te beteugelen. Dit was zonder succes. Hierdoor bleven er spanningen bestaan tussen de directeur van de plantage, Balfours broer Thomas, en de slaven. Deze bereikten in 1824 hun hoogtepunt: Thomas Balfour doodde een slavin en werd voor straf verbannen uit Suriname. Thomas verzocht hierna nog om een koninklijk pardon en de vernietiging van zijn vonnis. 

Kaart van de kolonie Suriname met de tot cultuur
gebracht zijnde landen en plantages
In het boek Zes jaren in Suriname beschrijft de Duitse militair August Kappler, die in Nickerie was gestationeerd, zijn ontmoeting met James Balfour. Hij typeert Balfour als een ''zonderlinge menschen die bij eenen onmetelijken rijkdom altijd nog meer trachten te verkrijgen''. Hij schrijft verder dat de oude Balfour ongetrouwd en eenzaam leefde. Een mulattin (zo werd iemand genoemd die half wit, half zwart was) genaamd Herriet, die hij bij één van zijn slaven had verwekt, werkte als slavin in het huishouden. Kappler vermeldt dat Balfour in 1841 overleed en een deel van zijn nalatenschap onder zijn slaven had verdeeld. Zijn dochter erfde een groot vermogen en kocht zichzelf vrij. Op Balfours verzoek werd iedereen in de omgeving uitgenodigd voor een feestmaal, met zijn kist als centraal middelpunt. Hierna werd hij begraven in een bakstenen graftombe tussen de suikermolen en het kookhuis.

Het grootste deel van zijn eigendommen liet Balfour aan zijn neef (de zoon van zijn zus) Robert Kirke na. Roberts broer, David Balfour Kirke, trouwde met James Balfours dochter Harriet.


Lees ook:


__________________________________________________________________________________________________________
Bronnen:







Geen opmerkingen:

Een reactie posten