dinsdag 18 juli 2017

Op ontdekkingsreis in de Surinaamse slavenregisters - Dag 4: Kaping van het Braziliaanse slavenschip Lébre


Enige tijd geleden kon men als vrijwilliger helpen om de Surinaamse slavenregisters openbaar te maken. In deze registers werden de geboorte, aankoop, sterfte en verkoop van slaafgemaakten bijgehouden. Maar wat zijn de verhalen achter deze kille boekhouding?  In deze tiendelige blog wordt de (soms schokkende) ontdekkingsreis beschreven van één van deze vrijwilligers.


De kaping van het schip 'Lébre' en de aanwezige Braziliaanse slavenbemanning
Vandaag een register van de plantage Eendragt of Eendraght in het district Saramacca onder ogen gekregen. Bij nader onderzoek blijkt dat de plantage in die tijd in het bezit was van ene C. Campbell. Colin Campbell was mede-eigenaar van de handelshuizen Colin Campbell & Co en Colin Campbell, Dent & Co die in Rotterdam en Glasgow gevestigd waren en onder meer schepen beheerden, leningen aan plantages verstrekten en aandelen in plantages bezaten. De naam Dent was afkomstig van Wilkinson Dent, mede-eigenaar van Dent & co, één van de vermogendste Engelse handelmaatschappijen die vooral in Hongkong actief was en voornamelijk handelde in opium en thee.
Nederlandse en Engelse slavenschepen

Colin Campbell wordt op internet genoemd i.v.m. een gebeurtenis die in 1829 plaatsvond. In dat jaar werd het Braziliaanse slavenschip Lébre, onder leiding van kapitein Juan Macayo, voor de kust van Afrika (Angola) door een groep zeerovers onder leiding van kapitein of opperhoofd Alexandro Bariteaud gekaapt. Deze beweerde uit naam van de Republiek Buenos Aires te handelen. Ondanks de verzekering van kapitein Macayo dat er een vredesverdrag tussen Brazilië en Argentinië was gesloten (van 1825 tot 1828 waren de twee landen in een oorlog verwikkeld geweest), werd het schip ingenomen. De kapitein en de rest van de witte bemanning werden met sloepen aan land gebracht. De buit, 14 Braziliaanse slavenmatrozen, werd naar het schip De Gouverneur Dorego van Bariteaud overgebracht, waarna deze op weg ging naar het eiland Saba. Hier aangekomen kreeg kapitein van Es van het Surinaamse oorlogsschip De Valk de kapers in de gaten en wist hij de bemanning te overmeesteren. Hierna bracht hij beide schepen naar Suriname. 

Tegen Bariteaud werd de doodstraf geëist op grond van 'zeeroof', hij had echter 'geluk' en kreeg uiteindelijk twintig jaar dwangarbeid opgelegd. Het schip Lébre werd in de publieke verkoop gezet en er werd een oproep in de krant geplaatst waarin stond dat belanghebbenden die aanspraak maakten op een deel van de boedel van het schip, die onder andere bestond uit ''Braziliaanse negerslagen, waarvan één overleden'', zich moesten melden. Op dit moment verscheen onze Colin Campbell in het verhaal. Hij trad op als vertegenwoordiger van de verzekeringmaatschappij die het schip Lébre voor 400.000 gulden had verzekerd. Hij eiste namens zijn cliënten een aandeel van het schip en kreeg van de rechter onder andere de op het schip aanwezige 'Braziliaanse negers' toegewezen.


Ter gelegenheid van de veroordeling van Bariteaud werd er een gedicht van Cornelis Loots gepubliceerd in de Surinaamsche Courant van 17 oktober 1830:


DE ZEESCHUIMER

Gewis, hij sproot uit snood geslacht,
Van elk verworpen en veracht,
Smaad kleefde aan zijner ouderen haren;
Een beul stond hem in ‘t sterven bij
Die ‘t eerst, ten vloek der koopvaardij,
Om roof zich waagde op Nereus baren.

Waarom ontsloot gij niet uw kuil,
O zee! en zwelgde in d’open muil
Die schenders van uw vrije golven?
Waarom niet de eerste roovers kiel,
Met al ‘t geboefte, ontaart van ziel,
In ‘s monsters ingewand bedolven?

Hoe vrolijk danste uw golvend ruim,
 Toen nog uw donzig zilver schuim
Slechts sneeuwde op rijke handel zeilen;
Of toen de vrede, aan ‘t er ijk dak
Ontvlugt, nog dartelde op uw vlak,
Geen ijsren vuist uw grond kwam peilen?

Meer er sloeg uw gezwollen borst,
Toen ‘t vreeslijk pleit van vorst met vorst
Zich donderend op uw ruim deed hooren;
Toen gij, zoo moedig op die vracht,
Hun trotsch getuigde watermagt
Zaagt zwieren langs beschuimde sporen.

Maar dubbele schand’ viel u ten deel,
Toen hebzuchts onverzaadbre keel
Om aas zich strekte langs uw baren;
Toen de onderdaan, in d’oorlogs brand,
Mee juichte, en sloeg aan roof de hand
En de eerste kiel om buit ging varen.

Was ‘t niet genoeg, ó roofgebroed!
Dat de oceaan zich verwde in bloed,
Ten o er aan den wrok der landen?
Dat voor de donders van ‘t metaal,
En ‘t bliksemen van ‘t oorlogs staal,
De handel kromp in enge stranden?

Moest gij, voor eer en glorie koud,
Niet om uw land, maar om het goud,
Bij ‘t oorlogs wee nog jamm’ren voegen?
En slaan uw’ schelmschen klaauw, verwoed,
In ‘t eerlijk verkregen goed
Van hen, die ‘t nuttig zeeveld ploegen?

Gij helden! leeuwen van de zee!
Die ‘t oorlogs staal rukt uit de schee,
Niet om te plundren, maar te strijden;
Moet gij, die land en volk verweert,
De roofvlag, die ten top onteert,
Naast uw doorluchte wimpels lijden?

Neen! rukt haar van de standaards af,
En schiet de kiel in ‘t gapend graf
Des zilten vloeds voor eeuwig neder;
Vliegt dan, waar u geen weerloos volk
Verwacht, maar ‘s vijands vuur en dolk,
Ontscheurt zijn’ helm den trotschen veder.

Dat’s eerlijk, dat is heldenmoed;
Dat kost mijn oog een’ tranenvloed;
Dat wekt mijn dank en hulde en liefde;
Maar schande en vloek zij hem gewijd,
Die, bang voor eerelijken strijd,
Het eerst om roof, de golven kliefde!








Geen opmerkingen:

Een reactie posten