woensdag 15 februari 2017

Een achttiende-eeuwse beschrijving van de kolonie Kaap de Goede Hoop door Peter Kolb


Het Tussenstation Kaap de Goede Hoop kwam vanaf 1652 tot 1795 onder leiding van Jan van Riebeeck in Nederlandse handen terecht en was bedoeld als een stopplaats voor VOC schepen die er voedsel en water insloegen voordat ze hun reis voortzetten naar Nederlands-Indië. Het groeide echter uit tot een kolonie. De Duitse sterrenkundige Peter (in het Nederlands Pieter) Kolb, ook wel Kolbe, Kolben of Colbe genoemd, was de eerste astronoom die door de VOC werd aangesteld om in de Nederlandse Kaapkolonie verslag te doen van het leven aldaar.

In het bezit van aanbevelingsbrieven van de burgemeester van Amsterdam, Nicolaes Witsen, vertrok hij naar Zuid-Afrika met als opdracht om een uitgebreide beschrijving te geven van de kolonie. Hij verbleef er van 1705 tot 1713. Naar aanleiding van zijn belevenissen publiceerde hij in 1719 het veel gelezen en in verschillende talen verschenen boek "Caput Bonae Hodiernum Spei" (de Nederlandse vertaling verscheen in 1727 en is getiteld "Naaukeurige en uitvoerige beschryving van kaap de Goede Hoop; behelzende een zeer omstandig verhaal van den tegenwoordigen toestant van dat vermaarde gewest"), rijkelijk geïllustreerd door etser, graveur Abraham Zeeman. Hij geeft in dit boek een uitgebreide beschrijving van de ligging, het klimaat en de flora en fauna van Zuid-Afrika en doet verslag van zijn dagelijkse belevenissen. Zoals veel van zijn tijdgenoten dikte hij veel verhalen aan. Zijn beschrijving van de giraf bijvoorbeeld wekte veel belangstelling in Europa.

Kolb was de eerste die uitgebreid onderzoek deed naar het leven van de oorspronkelijke bewoners van het gebied, de Khoikhoi of Khoisan, toentertijd door de Nederlanders wegens hun klikgeluiden denigrerend 'Hottentotten' genoemd. Er moet wel gezegd worden dat hij net als de meeste Europeanen van zijn tijd met een superieure bril naar niet-Europese volkeren keek. In vergelijking met andere onderzoekers en kolonisten was hij vrij positief over het volk. Hij noemde ze dan wel "wilde heidenen" en vond ze o.a. vies, smerig en lui en keurde hun veelwijverij af, maar zei ook dat ze op hun eigen manier slim genoeg waren, in vergelijking met de Europeanen vond hij ze echter dom. Daarnaast noemde hij ze vriendelijk en gastvrij. Hij probeerde hun gewoontes te begrijpen door er aan mee te doen. Zo at hij bijvoorbeeld in bloed gekookte darmen en schreef hierover dat het niet eens zo slecht smaakte. Hij sprak in positieve bewoordingen over het uiterlijk van de Khoikhoi en zag hierin het bewijs dat ze door God geschapen waren.

Hier een greep uit de gravures in het boek 'Naaukeurige en uitvoerige beschryving van kaap de Goede Hoop':









































Voor de overige gravures, bekijk dit filmpje:







Lees ook:
_________________________________________________________________________________________
Bronnen:



Geen opmerkingen:

Een reactie posten