maandag 14 november 2016

School van verleden tot heden: van Tablethuis tot iPadschool

Het onderwijs begon in de Oudheid: in het oude Mesopotamië kregen rijke kinderen les in een tablethuis. Tegenwoordig zijn er Steve Jobs-scholen waar kinderen hun lesstof aangeboden krijgen op een iPad. In 5000 jaar tijd is er op het gebied van onderwijs heel veel veranderd: van onderwijs voor een kleine elite tot onderwijs voor iedereen ongeacht afkomst of geslacht. Het onderwijs van verleden naar heden in vogelvlucht.






Het oude Mesopotamië (het huidige Irak, het oosten van Syrië en Zuidoost-Turkije)
Rijke jongens kregen vanaf ongeveer 7-jarige leeftijd les van een priester in een tempel. Als meisjes al onderwijs kregen dan kregen ze het van een privéleraar thuis. De kinderen werden opgeleid om priester of schriftgeleerde te worden. Deze hadden de meest machtige positie die iemand in de maatschappij kon verwerven.

Het tablethuis
Een school heette edubba, wat tablethuis (genoemd naar de kleitabletten die werden gebruikt) betekent. De leraar werd een ummia (schoolvader) genoemd.

In Mesopotamië werd 5000 jaar geleden het eerst bekende schrift, het spijkerschrift, uitgevonden. Het duurde wel 12 jaar om het spijkerschrift te leren. Met een rietstengel maakten de kinderen inkepingen op een kleitablet. Kinderen leerden om zelf een kleitablet te maken en een beschreven tablet te bewaren door het in de oven te bakken.

De leerlingen leerden de twee belangrijkste talen, het Sumerisch en Akkadisch. Op latere leeftijd, als de leerlingen eenmaal goed konden lezen en schrijven, moesten ze de mythes en legendes bestuderen. Ze kregen veel wiskunde, meetkunde en algebra, omdat de handel en economie heel belangrijk waren in het oude Mesopotamië. Als ze ouder waren, moesten ze handelscontracten en andere zakelijke documenten kunnen opstellen. Daarnaast kregen de kinderen muziekles. Ze leerden op verschillende muziekinstrumenten (waaronder de lyre) te spelen, verschillende liedjes te zingen en een koor te leiden.

De schooltijden waren van zonsopgang tot zonsondergang. De leerlingen kregen met de zweep als ze niet gehoorzaam waren (door bijvoorbeeld te kletsen of zich vies te maken) of niet hard genoeg werkten. De lunch kon bestaan uit ongezuurd gerstebrood, wat kaas, melk en wat dadels voor de energie. Soms zat er nog een appel of peer bij.



Het oude Egypte
Egyptische schriftgeleerden
De rijke jongens gingen vanaf vierjarige leeftijd tot hun vijftiende naar school. Zonen van ambachtslieden leerden het vak van hun vader. De meisjes leerden van hun moeder om een goede toekomstige echtgenote en moeder te worden door te leren koken, weven en een baby te verzorgen.

De rijke kinderen die naar school gingen, werden opgeleid tot schriftgeleerde of priester. Dit waren beroepen met een hoog aanzien. Schriftgeleerden schreven alles wat van belang was op in hiëroglifisch schrift. Alles wat we van het oude Egypte weten is aan hen te danken. Schriftgeleerden behoorden tot het hof van de farao en hoefden geen belasting te betalen.

Het onderwijs
De kinderen leerden het hiëroglifische schrift op school. Ze schreven met een rieten pen en inkt (die gemaakt was van roet en water) op papyrus (een vroege vorm van papier). Vanaf 14 jaar kregen jongens les in de Leer der Wijsheid. Ze leerden dan alles over goed en kwaad en kregen adviezen over hoe zich te gedragen. De raadgevingen waren vaak opgeschreven in de vorm van een gesprek van vader tot zoon. Voorbeelden hiervan zijn: "Schep niet op over je kennis, maar neem advies van zowel ongeschoolden als geleerden aan." of "Wijze woorden zijn kostbaarder dan juwelen en kunnen zelfs afkomstig zijn van een slavin die maïs vermaalt." of "De grenzen van het vakmanschap zijn nog niet bereikt."

Op de muur in de klas stonden de regels waar de kinderen zich aan moesten houden. Soms wilden de kinderen niet naar school en spijbelden ze. Ze werden hiervoor gestraft. Meisjes van de koninklijke familie kregen hetzelfde onderwijs als jongens. Ze waren vaak adviseurs van de farao. Er zijn ook aanwijzingen dat er vrouwelijke schriftgeleerden waren. Het ging waarschijnlijk om een klein aantal.


Het oude Griekenland
Sparta
Staatsinternaten
Rennend Spartaans
meisje
In Sparta werden jongens met de leeftijd van 7 jaar naar staatsinternaten gestuurd om tot soldaten opgeleid te worden. Ze leerden hier worstelen, rennen, paardrijden en marcheren. Ze sliepen op matten op de grond, werden regelmatig geslagen en kregen ook vaak lange tijd geen eten. Dit alles was bedoeld om ze hard te maken. Daarnaast leerden ze ook om eten te stelen en te liegen, zodat ze in tijden van oorlog konden overleven. Ze werden wel geslagen als ze betrapt werden. Alhoewel ze ook leerden lezen en schrijven en aan dans en muziek deden, was dit van ondergeschikt belang.

Meisjes kregen dezelfde lichamelijke training als jongens. De gedachte hierachter was, dat ze hierdoor later gezonde baby's zouden krijgen en de stad konden verdedigen in het geval hun man weg was. Ze sliepen in speciale meisjesinternaten.

De Gymnopaedia
Elk jaar werden de Gymnopaedia gehouden. Dit was een jaarlijks festival dat in de zomer werd gehouden waar jongens en meisjes naakt hun fysieke fitheid toonden door middel van dans en sport.

Athene
Het onderwijs
Een Griekse paidagogos
met kind (300-150 v. Chr.)

De Griekse jongens gingen naar drie verschillende soorten scholen: één voor muziek, één voor sport en één voor het lezen en schrijven. Ze gingen vanaf 7 tot 13 jaar naar school. Meisjes gingen over het algemeen niet naar school. Soms leerden ze wel lezen en schrijven. Ze leerden echter vooral een goede vrouw en moeder te zijn.

De kinderen in Athene hadden geen boeken, maar moesten alles uit hun hoofd leren, zoals de gedichten van de beroemde Griekse schrijver Homerus. Zang en dans waren heel belangrijk en kinderen deden mee aan zangwedstrijden. De jongens leerden van een ketharistes (een muziekleraar) op een kleine harp, de lyre, of de aulos (een blaasinstrument) te spelen en te begeleiden met zang. Hele rijke kinderen hadden een paidagogos. Dat was een slaaf die ze naar school begeleidde, erop lette dat ze zich gedroegen en die hielp met huiswerk. Ze hadden vaak een hechte band met de paidagogos. De leraren stonden in de Griekse maatschappij 
niet in hoog aanzien en kregen slecht betaald.

Vervolgonderwijs
Vanaf 15 jaar leerden jongeren te debatteren. Toen Griekenland een democratie werd, vond men het belangrijk dat iemand goed en overtuigend kon praten en discussiëren (de retorica). Ze moesten beroemde redevoeringen uit hun hoofd leren.

Aan lichamelijk opvoeding werd veel aandacht besteed. De oudere leerlingen gingen naar het gymnasium. Dit was een plek waar men werkte aan het uiterlijk en lichamelijke fitheid. Ze bereidden zich hier ook voor op oorlogen.



Het oude Rome
In de vroeg-Romeinse tijd leerden de kinderen alles van hun ouders. Ze leerden over de Romeinse deugden, de Romeinse manieren en wat het betekende om een Romein te zijn. In de laat-Romeinse tijd kregen de rijke kinderen thuis les van een Griekse slaaf.

Ludus litteratius
Een Romeinse schoolscène
Kinderen van wat lagere afkomst gingen met zeven jaar naar de betaalde basisschool, ludus litterarius. Deze basisscholen konden overal zijn, bijvoorbeeld op straat of in een huis. De kinderen gingen zeven dagen per week naar school. Ze leerden schrijven, lezen en heel simpel rekenwerk. Ze moesten veel gedichten uit het hoofd leren en soms leerden ze een muziekinstrument te bespelen. De leraren waren meestal Griekse slaven. Ze kregen heel slecht betaald en moesten lang werken.

Ze krasten met houten, metalen of (als ze heel rijk waren) ivoren pennen of soms met potscherven in met donkere was bewerkte houten plankjes. De pennen waren aan één kant heel scherp en aan de andere kant stomp om de was uit te kunnen smeren of iets te wissen. Als een jongen niet gehoorzaamde of een verkeerd antwoord gaf, werd hij met een stok of zweep geslagen. Vaak hadden de jongens een slaaf die hun spullen droeg, ze naar school bracht, ophaalde en ze beschermde.


Vervolgonderwijs
Als jongens een jaar of twaalf waren, hadden ze alles geleerd en stopten ze met school. Sommigen leerden hierna nog door bij een leraar die grammaticus werd genoemd. Hij leerde ze de Griekse en Latijnse taal via literatuur en gedichten en geschiedenis. Hierna konden de hele rijke jongens nog naar een volgende school. Hier leerden ze de retorica (in het openbaar overtuigend kunnen debatteren en discussiëren).


De Middeleeuwen
Karel de Grote
In 789 na Chr. zorgde de christelijke Frankische heerser Karel de Grote ervoor dat alle jongens in Europa les konden krijgen in kloosterscholen. Hij vond het belangrijk dat iedereen zijn wetten en het christelijke geloof leerde kennen. Arme kinderen konden echter niet naar school, omdat ze hun ouders bij het werk moesten helpen. Onderwijs bleef hierdoor dus een zaak van de rijken. In Nederland zorgden onder anderen de Engelse monniken Willibrord en Bonifatius ervoor dat er kloosterscholen werden gesticht.

De jongens kregen les van priesters, bisschoppen en monniken op kathedraal- en kloosterscholen en werden opgeleid tot priester of monnik, sommigen werden klerk of administrateur. Ze leerden de Bijbel te lezen en te schrijven in het Latijn, de populaire taal van die tijd en de taal van de Kerk en de Bijbel. Daarnaast leerden ze simpel rekenwerk om de religieuze feestdagen uit te kunnen rekenen en zingen en bidden, zodat ze aan de kerkdiensten mee konden doen. Gymles was er niet. De Kerk beschouwde het menselijk lichaam als iets onreins en aards en werd daarom zoveel mogelijk genegeerd.

Gratis onderwijs
In de twaalfde eeuw werd het onderwijs via de kerk gratis. 
Theoretisch gezien kon hierdoor iedereen naar school. De arme jongens moesten hun vader echter bij het werk helpen en in zijn voetsporen treden. In de praktijk kwam het erop neer dat nog steeds alleen de rijke jongens naar school gingen. Meisjes gingen niet naar school en leerden alleen dingen die later van nut zouden kunnen zijn als echtgenote en moeder. Wat later in de middeleeuwen bezochten meisjes ook kloosterscholen waar ze les kregen van de nonnen.

Slechte omstandigheden
Er waren meestal nog geen echte klaslokalen. De kinderen kregen les in een schuur, keuken, buiten of een andere ruimte. Het was er vaak erg vies en in de winter erg koud. Muizen en ratten liepen gewoon vrij rond. Veel kinderen werden hierdoor ziek op school. De kinderen zaten meestal op de grond en krasten met een stylus, een soort scherpe pen van bot, metaal of ivoor, op met groene of zwarte was bewerkte houten plankjes. Alleen vergevorderde leerlingen mochten met een dure veren pen en inkt op perkament schrijven.

De parochieschool
Rond 1200 kregen armere kinderen in Nederland tegen betaling les op een parochieschool. Dit was een dorps- of stadsschool van de Kerk. Als kinderen wilden leren rekenen, moesten de ouders meestal wat extra geld betalen. Op eenvoudige dorpsscholen werd rekenen daarom niet gegeven. De school was voor alle leeftijden en daarom zaten jongeren van verschillende leeftijden bij elkaar. Ieder kind leerde in zijn eigen tempo. Leerlingen hadden meestal geen boeken. Deze waren namelijk heel duur, omdat ze vóór de uitvinding van de boekdrukkunst met de hand gekopieerd moesten worden. Ze leerden dus alles uit hun hoofd wat de leraar uit het boek voorlas. Rond de leeftijd van 14 jaar gingen de jongens naar een universiteit in een grote stad.

De zestiende, zeventiende en achttiende eeuw
De ideeën over het onderwijs en het kind veranderen
Tijdens de Renaissance en de Verlichting vond men het van belang dat school ook leuk, interessant en aangenaam was, in plaats van dwingend van aard. Gym werd ook aangemoedigd. Tijdens de Reformatie, toen de protestanten het voor het zeggen kregen, werden de lessen in de eigen landstaal gegeven.

Jan Amos Comenius
Orbis Pictus

De in Nederland woonachtige Jan Amos Comenius (1592-1670), een pedagoog en filosoof die grote invloed heeft gehad op het onderwijs, maakte in 1658 het eerste en lange tijd enige geïllustreerde kinderboek in de westerse wereld, Orbis Pictus (De Wereld in Plaatjes). Hij noemde de scholen in zijn tijd Slachthuizen van de geest. Hij vond het belangrijk dat kinderen niet alleen maar droge teksten leerden, maar ook leerden door objecten of plaatjes te observeren. Hij werd eerst belachelijk gemaakt, maar zijn boek werd uiteindelijk 200 jaar lang gebruikt.

Jean-Jacques Rousseau en John Locke
Filosofen zoals Jean-Jacques Rousseau en John Locke vonden dat kinderen niet als volwassenen behandeld moesten worden, maar kind moesten kunnen zijn. Het was belangrijk dat kinderen al spelend leerden, als individuen behandeld werden en niet werden gestraft of bang werden gemaakt.

De leraren
De leraren bezaten doorgaans heel weinig kennis. Sommigen konden zelfs niet lezen en schrijven. Ze waren meestal alleen maar leraar geworden, omdat ze geen ander werk konden vinden. Ze hadden vaak bijbaantjes als koster, doodgraver of klokkenluider. Als ze even weg moesten, nam hun vrouw het vaak tijdelijk over. Leraren hielden orde in de klas door 
met een stok of roe te slaan en de kinderen te sarren.

Het onderwijs
Kinderen gebruikten meestal een griffel en een leitje om mee te schrijven. Er kwamen meer leermethodes, zoals het telraam en J.H. Swildens’ Vaderlandsch A-B boek voor de Nederlandsche jeugd (1781) werd in de klas gebruikt om het alfabet te leren.

Als een kind iets verkeerds had gedaan, zoals stelen, liegen of onbeleefd zijn, gooide de leraar een pechvogel (die van stof gemaakt was) naar het kind toe, waarna deze hem naar de meester terug moest brengen en straf kreeg. Voor straf kregen ze soms een schandbord om. Dit was heel zwaar en werd om de nek gehangen, waarna ze voor de school moesten gaan staan. Als ze dom waren, moesten ze een ezelsbord of ezelsoren dragen.

De Franse Revolutie
Toen Nederland in 1795 door Napoleon werd bezet, leidde dit in Nederland tot de scheiding van Kerk en Staat. Hierdoor werd school geen zaak van de Kerk meer, maar van de Staat.



De negentiende eeuw
De Bataafse Republiek
Tijdens de Bataafse Republiek werd in 1801 een voor het hele land geldende onderwijswet ingesteld. Hierin werd vastgelegd dat kinderen op een openbare school les moesten krijgen. De minister van Onderwijs heette de agent voor Nationale Opvoeding. Een gevolg van de Onderwijswet was dat het Rijksschooltoezicht werd ingesteld. Dit was het begin van de schoolinspectie die ervoor zorg moest dragen dat de scholen zich aan de Onderwijswet hielden. Er mocht geen godsdienstles meer gegeven worden, dit werd een taak van de kerken. De school moest de kinderen wel algemeen christelijke deugden bijbrengen. Er mocht echter niet te veel nadruk op religie gelegd worden.

Het Pruisische educatieve systeem
In 1819 kregen arme kinderen in Pruisen (Duitsland) voor het eerst les in lezen, schrijven en godsdienst op een Volksschule. Voor het eerst was er verplicht onderwijs voor iedereen van 5 tot 14 jaar. Het beroep leraar werd officieel erkend en een leraar kreeg een basissalaris. Er kwamen speciale lerarenopleidingen. Andere landen namen dit systeem snel over.

De invloed van de overheid en de gevolgen
De overheid nam steeds meer de taak op zich om de kwaliteit van het onderwijs te controleren en scholen op te richten: In de negentiende eeuw werden er steeds meer schoolgebouwen gebouwd. Men vond veel licht en frisse en gezond lucht steeds belangrijker. In 1806 kwam er een onderwijswet waarin vastgelegd werd dat iedereen die leraar wilde worden een examen moest afleggen. In 1823 werd bepaald dat een leraar die zijn kinderen sloeg strafbaar was. De roep om een degelijke opleiding voor leerkrachten werd steeds groter. In 1857 werden er voor het eerst een aantal kweekscholen voor onderwijzers opgericht.

In de achttiende eeuw ontstonden de eerste publieke bibliotheken die voor iedereen toegankelijk waren. Dit zorgde ervoor dat kennis beschikbaar werd voor iedereen. Polen was één van de eerste landen die in 1747 een publieke bibliotheek had. In Nederland was de bibliotheek van Dordrecht in 1899 de eerste openbare bibliotheek van Nederland.

Er gingen steeds meer meisjes naar school. Dit waren vooral meisjes van de middenklasse waarvan de ouders het voorbeeld van de adel volgden. Meisjes kregen echter geen vakken zoals wetenschap, filosofie en politiek. Dat werd niet geschikt geacht voor een vrouw.

De Grondwet van 1848 van staatsman Thorbecke zorgde ervoor dat iedereen vrij was een school op te richten als men aan de voorwaarden voldeed die de wet voorschreef. Dit betekende dat er bijvoorbeeld godsdienstige scholen mochten worden opgericht. Als gevolg van de onderwijswet van 1857 werd de MULO (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs) in het leven geroepen. Dit was bedoeld als een uitbreiding van het lager onderwijs. Hier konden leerlingen verder leren en zich voorbereiden op de HBS (Hogere Burgerschool) of MMS (Middelbare Meisjesschool).

In 1863 werd bij de Wet op het middelbaar onderwijs van Thorbecke de Hogere Burgerschool (HBS) opgericht. Dit was een vervolgopleiding na de basisschool die bedoeld was voor jongeren uit de middenklasse die niet naar het gymnasium gingen, maar wilden gaan werken in de handel en industrie. Pas in 1871 werden ook meisjes tot de HBS toegelaten.

Het onderwijs
De vakken geschiedenis, aardrijkskunde, kennis der natuur, meetkunde en zingen werden in 1857 verplicht. De vakken Engels, Frans, Duits, wiskunde, gymnastiek, tekenen en handwerken waren niet verplicht. De Leesmethode Aap-Noot-Mies van M.B. Hoogeveen en allerlei schoolplaten (zoals die van C. Jetses, de illustrator van Ot en Sien), opgezette dieren en modellen werden vanaf 1894 op scholen gebruikt om het leren aantrekkelijker te maken. De ganzenveer werd vervangen door een kroontjespen.

De onderwijzer Jan Geluk (1835-1919) schreef regelmatig artikelen en boeken over opvoeding en onderwijs. In 1882 schreef hij het standaardwerk Woordenboek voor opvoeding en onderwijs. Dit was een boek vol pedagogische adviezen. Door dit boek werd hij raadgever van koningin Emma inzake de opvoeding van prinses Wilhelmina. In de negentiende eeuw was het analfabetisme in Nederland tot 30 procent gedaald.



De twintigste eeuw tot nu
De Leerplichtwet
In 1901 ging in Nederland de Leerplichtwet in die bepaalde dat alle kinderen van 6 tot 12 verplicht onderwijs moesten volgen. Engeland, Frankrijk en Oostenrijk waren Nederland al voorgegaan. Meisjes mochten echter thuis gehouden worden om voor het gezin te zorgen en boerenkinderen mochten hun ouders bij de oogst helpen. Hierna werd de Leerplichtwet nog een aantal keren aangepast: vanaf 1975 moesten leerlingen tot hun zestiende naar school, met verplicht deeltijdonderwijs tot en met het schooljaar waarin de jongere 17 jaar werd. Vanaf 1985 moeten kinderen vanaf 5 jaar naar de basisschool. In 2007 geldt de volledige leerplicht tot 18 jaar voor jongeren die nog geen middelbare schooldiploma hebben gehaald.

Vanaf de ingang van de Leerplichtwet zaten kinderen van dezelfde leeftijd bij elkaar en konden blijven zitten als ze niet goed presteerden. Het percentage kinderen van 6 tot 12 jaar dat naar school ging, werd door de leerplicht bijna 100 procent. In 1936 volgde driekwart van de jongens in Nederland alleen basisschoolonderwijs.

Het onderwijs
Kinderen schreven met een kroontjespen die in een inktpotje gedoopt moest worden. Schrijven met de linkerhand was niet toegestaan. Als een kind het toch deed werd zijn linkerhand op zijn rug gebonden.

Het aanschouwelijk onderwijs kwam op en wordt tot op de dag van vandaag nog toegepast: Kinderen moesten naar afbeeldingen kijken en hier vragen over beantwoorden. De leraar Jan Ligthart (1859-1916) heeft hier een grote rol in gespeeld. Hij vond dat kinderen veel moesten "doen" en heeft ook een belangrijke bijdrage geleverd aan de boeken Ot en Sien en het Aap-Noot-Mies-leesplankje. In 1928 begon officieel de schoolradio die leerzame programma's uitzond.

De schoolarts
De schooltandarts (1935)
In 1904 kwamen er gemeentelijke schoolartsen. Deze hielden de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de kinderen in de gaten. Daarnaast controleerden ze ook of de scholen hygiënisch waren en of de kinderen genoeg lichamelijke beweging kregen. In de jaren 50 werden de kolenkachels (die kans gaven op koolmonoxidevergiftiging) in de klas vervangen door oliekachels. Vanaf de jaren zestig kregen de scholen geleidelijk aan centrale verwarming.

De opkomst van nieuwe vormen van onderwijs
Er kwamen ook steeds meer nieuwe vormen van lager onderwijs: de in Nederland woonachtige Italiaanse pedagoge Maria Montessori (1870-1952) had veel invloed in Nederland. Ze vond de zelfontplooiing van het kind heel belangrijk, waardoor het kind de kans had een vrij en onafhankelijk mens te worden; in 1923 werd de eerste vrije school gesticht door Rudolf Steiner; in 1928 verschenen de eerste Daltonscholen in Nederland. 
De oprichtster van deze school, de Amerikaanse Helen Parkhurst, was geïnspireerd door Maria Montessori die ze in Amerika had ontmoet. Via taken wilde ze kinderen medeverantwoordelijk maken voor hun leerproces en planning.

Apart jongens- en meisjesonderwijs
Meisjes en jongens gingen naar aparte scholen en kregen ook ander onderwijs. Meisjes leerden bijvoorbeeld handwerken en koken. Er heerste niet meer het algemene idee dat onderwijs voor meisjes minder belangrijk was en dat meisjes minder intelligent waren. Als de leraar vond dat een meisje geschikt was om door te leren, ging ze naar de Middelbare Meisjesschool (MMS). In 1950 bestond het middelbaar onderwijs voor 40 procent uit meisjes. Vanaf 1960 kregen jongens en meisjes steeds meer samen les. In 1968 kwam er een eind aan gescheiden onderwijs.

De ontplooiing van het kind staat centraal
Omdat men vanaf de jaren zestig de zelfontplooiing van het kind steeds belangrijker vond, werd minder nadruk op het droge leerwerk gelegd. Er werd hierdoor meer aandacht aan de vakken muziek, toneel, vrij tekenen, schilderen en knutselen besteed. De leerlingen zaten niet meer met zijn tweeën naast elkaar, maar werden in groepjes geplaatst. De kroontjespen werd vanaf 1960 vervangen door de bal- of vulpen. In 1963 werd schooltelevisie voor het eerst ingezet als leermiddel.

Belangrijke onderwijswetten vanaf de jaren zestig
In 1968 werd de Mammoetwet ingevoerd. Dit hield in dat het middelbaar onderwijs (de MULO, MMS en HBS) werd opgesplitst in mavo, havo en vwo. Daarnaast werd de brugklas ingevoerd, waardoor kinderen wat langer de tijd kregen om te bepalen welke richting ze op zouden gaan. In 1985 werden de kleuterschool en de lagere school samengevoegd tot de Basisschool.

In 1999 werd het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) ingesteld. Dit hield in dat de lbo (het lager beroepsonderwijs) werd samengevoegd met de mavo. Het was de bedoeling dat de twee onderwijssoorten elkaar konden aanvullen door theorie en praktijk samen te brengen.

De verplichte vakken
De verplichte vakken op de basisschool zijn: Nederlands, de Engelse taal, rekenen en wiskunde, oriëntatie op jezelf en de wereld (bijvoorbeeld aardrijkskunde, geschiedenis, biologie, burgerschapsvorming, verkeersles en staatsinrichting), kunstzinnige oriëntatie (bijvoorbeeld muziek, tekenen en handvaardigheid) en bewegingsonderwijs (bijvoorbeeld gymlessen).

Het computeronderwijs

De computer wordt op de meeste basis- en middelbare scholen als leermiddel ingezet. Er gaan stemmen op om Informatica, net als in Groot-Brittanië, verplicht te stellen op de basis- en middelbare school. De computer is een onmisbaar onderdeel van de maatschappij geworden en het is daarom van belang dat kinderen al vroeg leren om ermee om te gaan en zelf computerprogramma's leren ontwikkelen. Onder leiding van Neelie Kroes hebben MicrosoftGoogleIBM en Oracle op 21 mei 2015 CodePact gelanceerd om programmeren op scholen aan te moedigen. Er zullen gratis trainingen en opleidingen worden aangeboden aan leerkrachten en leerlingen.


Uit een rapport van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) van september 2015 blijkt dat het gebruik van ICT op scholen niet automatisch tot betere leerprestaties leidt. Volgens het rapport moeten scholen ervoor zorgen dat ICT op een effectieve manier wordt ingezet.

__________________________________________________________________________________________

           Bronnen:









Geen opmerkingen:

Een reactie posten