Startpagina

maandag 26 september 2016

Nederland immigratieland

Nederland is altijd een immigratieland geweest. In de 20e en 21e eeuw zijn er vooral mensen van buiten Europa deze kant op gekomen. Daarvóór waren het voornamelijk Europese immigranten. Al eeuwenlang arriveren hier asielzoekers om politieke of economische redenen. Dankzij het tolerante klimaat wisten velen van hen hier een bestaan op te bouwen. De economie van Nederland heeft hier in grote mate van geprofiteerd. De Gouden Eeuw is mede te danken aan al deze immigranten. Wie waren deze immigranten en waar kwamen ze vandaan? De immigratie naar Nederland vanaf de Gouden Eeuw tot 1900.




De Gouden Eeuw (1580-1670)


Tijdelijke immigratie
Standbeeld van een Hollandgänger
in Uelsen, Duitsland

Seizoensarbeiders
De economische omstandigheden in Duitsland waren erg slecht. Tussen 1600 en 1900 kwamen er jaarlijks seizoensarbeiders uit het Duitse Westfalen naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden om op het land te werken. Ze kwamen naar de kust om bijvoorbeeld gras te maaien of turf te steken. Ze kwamen rond Pinksteren met een grote groep deze kant op. Het loon in Holland was veel hoger dan in Duitsland en er was veel werk. Zo konden ze hun kleine boerderijtje in Duitsland in stand houden. 
Ze werden hannekemaaiers (hanneke is het verkleinwoord van Johan en maaier van grasmaaier) of Hollandgängers genoemd. Aan het begin van het jaar hielpen ze de boeren met het uitdunnen en wieden van de gewassen. Of ze goed werden behandeld is de vraag. Ze kregen namelijk bijnamen zoals poep (de oorsprong van het woord is niet duidelijk), mof, mier of spekvreter (ze hadden altijd veel spek en gerookt varkensvlees bij zich). Ze werden in volksverhalen vaak beschreven als vies, dom en gierig. Ze zouden hier alleen maar zijn om een Hollandse vrouw aan de haak te slaan. Ongeveer 140.000 hannekemaaiers hebben zich hier tussen 1815 en 1850 permanent gevestigd. Meestal gebeurde dit, omdat ze een huwelijk met een Nederlands vrouw sloten.

Marskramers
Duitse marskramers uit Westfalen trokken door heel het land, maar voornamelijk door Friesland en Groningen Ze verkochten allerhande artikelen (vooral textiel) aan de deur. Waarschijnlijk werden veel hannekemaaiers marskramer van beroep, omdat dit lucratiever was. Marskramers werden ook wel kieperkerels, tödden of lapkepoepen genoemd. Marskramers hadden geen goede reputatie. Ze werden meestal afgeschilderd als vieze dieven en bedriegers.

De Wanderschaft
Vanaf de zeventiende eeuw kwamen Duitse ambachtsknechten naar de Republiek om verplichte ervaring op te doen. Ze gingen in de leer bij bakkers, kleermakers en koopmannen. Deze trek werd "Wanderschaft" genoemd. Als het niet lukte om werk te vinden, sloten ze zich vaak aan bij de VOC.

Ambachtslieden
Italiaans stucwerk in Paleis het Loo in Apeldoorn

Italiaanse migranten kwamen van ver. Seizoensarbeid was voor hen dus 
uitgesloten. Ze waren dan wel marskramer, muzikant of ambachtsman. Italiaanse ambachtslieden specialiseerden zich in vrije beroepen of beroepen die nog niet bestonden. Vreemdelingen mochten bestaande beroepen namelijk niet uitoefenen. Stucwerker is een voorbeeld van een ambacht dat in Nederland nog niet bestond. De uit Noord-Italië afkomstige stucwerkers konden in de Gouden Eeuw veel geld verdienen door de talrijke opdrachten die ze van rijke mensen kregen. Vooral stucplafonds waren in de mode. Er waren ook hele bekende Italiaanse sierstucwerkers zoals Tomaso Vasalli die het stadhuis van Maastricht heeft gestuukt. Plafonds in Paleis het Loo zijn ook door rondtrekkende Italiaanse stucwerkers gemaakt. In de 19e en 20e eeuw namen de Duitsers en Nederlanders het werk over.

Weerkundige instrumenten, zoals de barometer, werden vanaf 1650 exclusief door Italiaanse ambachtslieden vervaardigd. Hiermee verwierven ze een monopoliepositie. Bijna alle barometers in Nederland, Engeland en Frankrijk werden vóór 1900 door Italianen gemaakt.

Het VOC- en marinepersoneel
Henry Hudson

De helft van het VOC- en marinepersoneel kwam uit het buitenland. De beter 
betaalde zeelui kwamen uit Scandinavië en de Duitse kustgebieden. De slechter betaalde zeelui kwamen uit het Duitse binnenland en Midden-Europa. In de twee eeuwen van het bestaan van de VOC heeft het ongeveer 600.000 buitenlanders in dienst gehad en 35.000 buitenlanders werkten voor de marine. En bekend voorbeeld is de Engelse ontdekkingsreiziger Henry Hudson die in dienst was van de VOC.

Het leger bestond toentertijd nog uit vrijwilligers. Bijna de helft van de soldaten was buitenlander. Dit kwam mede door de slechte betaling. Het leger bestond vooral uit regimenten uit Schotland, Zwitserland en Zuid-Duitsland. Veel individuele soldaten waren van Duitse afkomst.

Griekse handelaren en studenten
In de achttiende eeuw vestigden zich Griekse handelaren uit het Ottomaanse Rijk in de Republiek. Ze verkochten oosterse producten en kochten Europese producten in. Daarnaast studeerden er ook Grieken in Nederland. Dit waren vooral geestelijken. In 1763 werd er in Amsterdam op de Oudezijds Voorburgwal zelfs een Grieks-orthodoxe Kerk opgericht door de Griekse gemeenschap. De Republiek zag dit als een kans om samen met de Grieks-orthodoxe Kerk sterker te staan tegen het katholicisme.

Hongaarse studenten
In de zeventiende eeuw kwamen enkele honderden Hongaarse studenten in Nederland studeren, omdat er in Hongarije nog geen universiteiten waren. Daarnaast speelde ook mee, dat ze protestants-calvinistisch waren. In de omringende katholieke landen konden ze daardoor niet studeren. De meesten studeerden filosofie of theologie. Ze werden gefinancierd door rijke Hongaren.

Permanente immigratie
De protestanten en Antwerpse lutheranen uit de Zuidelijke Nederlanden

Maarten Luther
Maarten Luther was een monnik die in 1517 opriep tot hervorming (reformatie) van de gevestigde Rooms- Katholieke Kerk. Luther werd door de paus in de ban gedaan. Dit leidde tot de stroming van het lutheranisme en protestantisme.

In 1555 kwamen de Nederlanden, waar het protestantisme gestaag groeide, in handen van de katholieke koning Filips II van Spanje. Deze beval de vervolging van de "ketterse" protestanten. Als gevolg hiervan vluchtten er vele protestanten naar onder andere de Noordelijke Nederlanden en Engeland (voornamelijk naar East Anglia waar ze Strangers genoemd werden) om aan vervolging te ontkomen. In 1568 volgde er onder leiding van Willem van Oranje een opstand tegen Spanje, de Tachtigjarige Oorlog. In 1585 viel Antwerpen, waardoor de Zuidelijke Nederlanden (België) definitief in handen van Filips II kwamen. Veel Antwerpse lutheranen vluchtten naar de vrije noordelijke Republiek, met name naar Amsterdam. Veel van deze migranten droegen later bij tot de Gouden Eeuw.

De Sefardische joden
Sefardische joden kwamen oorspronkelijk uit het katholieke Spanje en Portugal. Het woord Sefardisch komt van het Hebreeuwse woord voor Spanje, Sefarad. In 1492 nam koning Ferdinand van Spanje het besluit dat joden zich tot het christendom moesten bekeren. Als ze hier geen gehoor aan gaven, moesten ze het land verlaten. Een deel liet zich dopen en een deel vertrok naar Portugal. In Portugal volgde al snel hetzelfde besluit, waardoor de joden hier ook weg moesten vluchten. Een deel van deze vluchtelingen vestigde zich eerst een periode in Antwerpen. In 1593 kwamen de eerste Sefardische joden in Amsterdam aan. Ze werden door de Republiek aangemoedigd om zich hier te vestigen, omdat ze veelal vermogend waren en veel handelscontacten hadden.

De Asjkenazische joden

De Asjkenazische joden ofwel Hoogduitse joden kwamen vanaf 1635 uit Midden-
en Oost-Europa. Het woord Asjkenazisch komt van het Hebreeuwse woord voor Duitsland, Asjkenaz. Het Hoogduits verwijst naar de taal die in de landen van herkomst gesproken werd. Het Jiddisch stamt hiervan af. Ze leefden in de landen van herkomst vaak in erbarmelijke omstandigheden en werden vervolgd. Een deel vluchtte naar de Republiek. Ze vestigden zich met name in Amsterdam, maar ook in Rotterdam en Den Haag. Ze waren in tegenstelling tot de Sefardische joden vaak arm en laag opgeleid. Ze waren vooral actief in de straathandel en diamantbewerking. Een aantal zochten uit nood hun toevlucht tot diefstal. Ze werden ook wel minachtend smousen genoemd.

De Portugees-Joodse synagoge aan de
Houtgracht, ets van J. Bulthuis (1750-1801)
In heel veel steden, zoals Utrecht, waren joden niet welkom. Aangezien de gilden geen joden toelieten, konden ze de meeste ambachten niet uitoefenen. Daarom legden veel joden zich toe op (straat)handels- en bankzaken. Ze moesten in veel steden ook een uitsluitend voor joden geldende belasting betalen. De ambachten waar geen gilden voor bestonden, zoals de verwerking van diamant, suiker, tabak en zijde konden ze wel uitoefenen. Dit alles zorgde voor een grote economische groei van de stad.

In eerste instantie mochten joden hun geloof niet belijden. Er werden in het geniep synagoges gebouwd. In 1579 werd in de Unie van Utrecht vastgelegd, dat niemand wegens zijn geloof kon worden vervolgd. In 1639 werd er voor het eerst aan de Houtgracht (Waterlooplein) een voor iedereen zichtbare Portugees-Joodse synagoge gebouwd. In 1796 werden de gilden afgeschaft en konden de joden tot alle gilden toegelaten worden. Ze hadden geen volledige burgerrechten, maar de vrijheid die ze in de Republiek genoten, hadden ze bijna nergens anders in Europa: ze hadden de vrijheid om kapitaal te verwerven, te huwen, ze hoefden geen jodenteken te dragen en niet in een getto te wonen.


De Hugenoten
Een boekwinkel van Hugenoten
in Amsterdam, gravure uit 1715

Hugenoten waren Franse aanhangers van Calvijn. Tussen 1680 en 1720 
vluchtten tussen 35.000 en 50.000 Hugenoten uit het katholieke Frankrijk naar de Republiek. Ze werden gedwongen zich te bekeren tot het katholicisme of te vluchten. Ze kwamen met name in Amsterdam terecht, maar ook in Groningen en Leiden. Ze werden meestal met open armen ontvangen, omdat ze vermogend waren, veel contacten hadden en kennis bezaten. De Franse cultuur en taal hadden toentertijd een grote invloed op de cultuur in heel Europa. Mede hierdoor en door hun calvinistische geloof kregen ze zelfs bepaalde voorrechten. Zo hoefden ze geen lidmaatschapsgeld te betalen om lid van een gilde te worden en kregen ze soms tijdelijke belastingontheffing.

Het boekenbedrijf profiteerde het meest van de komst van de Hugenoten. Veel boeken werden in het Frans gepubliceerd, waardoor veel Hugenoten de taak hadden om toezicht te houden op de publicaties en correcties aan te brengen. Tevens gingen veel Hugenoten als soldaat in dienst van het leger van Willem III. Toen echter bleek dat niet alle Hugenoten rijk waren, werden ze vaak belachelijk gemaakt. Ze werden uitgemaakt voor arrogant en hun accent en manier van praten en kleden werd belachelijk gemaakt. Hierdoor verloren ze ook veel voorrechten.


De achttiende en negentiende eeuw

De tijdelijke immigratie
De Zigeuners
De term zigeuners of heidens werd in de 19e eeuw gebruikt voor allerlei soorten mensen die rondtrokken, zoals marskramers, muzikanten, kunstenaars en Hongaarse ketellappers. Ze werden als armoedzaaiers, minderwaardig en crimineel gezien. Ze werden zoveel mogelijk uit Nederland geweerd. Hieronder waren de in 1868 in Nederland gearriveerde Sinti. Ze kwamen uit Duitsland en Frankrijk. Ze waren meestal muzikanten, circus- en kermisartiesten. Omstreeks 1900 kwamen er paardenhandelaren vanuit Noorwegen met hun woonwagens bij. Ze waren oorspronkelijk van Hongaarse afkomst.
Een terrazzovloer in het
Vredespaleis te Den Haag


De figuristi en terrazzowerkers

Italiaanse figuristi, beeldjesmakers, trokken rond door Europa. Ze kwamen meestal uit Toscane. Ze maakten en verkochten gipsen beeldjes en ornamenten. Heel veel figuristi konden hier niet van rondkomen en gingen aan het begin van de 21e eeuw ook ijs verkopen. Daarnaast kwamen rond 1900 veel Italiaanse terrazzowerkers vanuit het noorden van Italië (Friuli) naar Nederland. Terrazzovloeren (tegelvoeren van stukjes marmer in cement) waren toen heel populair en werden in veel gebouwen aangelegd. Ze noemden zichzelf ook wel granitowerkers. De meesten werkten in Den Haag. Het Vredespaleis in Den Haag is een goed voorbeeld van hun vakwerk.

De Belgische strohoedenmakers
De Belgische strohoedenmakers kwamen sinds 1800 naar Nederland. Aan het eind van de achttiende eeuw nam de vraag naar strohoeden toe. Vooral in de Jekervallei in België werd het produceren van strohoeden een echte industrie. In Nederland werden echter ook strohoeden vervaardigd. Hiervoor kwamen de Belgische mannen als seizoensarbeider naar Nederland om de strohoeden te maken.

De gouvernantes
In de 19e eeuw namen rijke Nederlandse families gouvernantes in dienst. Aangezien ze het Frans goed moesten beheersen kwamen ze meestal uit Frankrijk, België of Zwitserland. Ze woonden bij het gezin in en gaven de kinderen les. In de tweede helft van 19e eeuw raakten de Engelse gouvernantes in zwang.

De permanente immigratie
De kleermakers en winkeliers
In de 19e eeuw waren de Duitsers de grootste groep immigranten. Ze vestigden zich vooral in Amsterdam. Kleermaker was de belangrijkste beroepsgroep onder Duitsers. Verder waren er veel bierbrouwers, suikerbakkers en stukadoors.


Doordat veel boerinnen in de 19e eeuw liever naar de stad gingen om inkopen te doen, openden veel Duitse marskramers een winkel. Er verschenen grote winkels met opvallende etalages, verlicht met gaslampen. Dit waren de voorlopers van de grote warenhuizen. Een goed voorbeeld zijn de gebroeders Clemens en August (C&A). Ze hadden veel succes als marskramer gehad in Friesland. Clemens werd ook wel Wonderpoep genoemd. Ze vestigden hun eerste winkel in Sneek. Veel van deze Duitse winkeliers, waaronder ook Vroom en Dreesman en Hunkemöller, vestigden zich permanent in Nederland. Duitsers werden nog steeds als dom, ongemanierd en vies afgeschilderd. Duitse poepenmoppen waren populair.

Een Italiaanse
schoorsteenveger

De paraplumakers
In de negentiende eeuw migreerden veel Fransen vanuit Auvergne naar het noorden. Vooral paraplumakers waren gewild, omdat de paraplu toentertijd heel erg populair was. Verder werkten hier ook veel Franse ketellappers en koperslagers.

De schoorsteenvegers

Al vanaf 1700 waren er Italiaanse schoorsteenvegers in Nederland, maar tussen 1860 en 1880 kwam een hele grote groep Italiaanse schoorsteenvegers hier werken. Ze kwamen uit het noorden van Italië. Ze namen leerjongens van rond de dertien jaar mee, omdat deze oud genoeg waren om het vak te leren en goedkoop waren. Het werk was door de puntdaken zeer gevaarlijk. Ze stonden bekend om hun witte werkpakken. De Italianen bouwden een monopoliepositie op. Het beroep schoorsteenveger stond in laag aanzien. Ze werden soms wel roetmop genoemd. In de laatste helft van de 19e eeuw ging het slecht met de schoorsteenvegers. Het werd steeds moeilijker om leerjongens te werven. Veel Italianen emigreerden naar de Amerika en Australië. Menig schoorsteenveger werd aan het begin van de 20e eeuw ijsbereider, tarrazzowerker of beeldenmaker.



De Vreemdelingenwet en de Wet op het Nederlanderschap


In 1849 werd de Vreemdelingenwet aangenomen. Hiervóór waren er niet echt regels geweest over wie er wel of niet toegelaten mocht worden in Nederland. Mensen konden komen en gaan. In de wet stond dat iedereen met een geldig paspoort en voldoende middelen van bestaan toegelaten mocht worden. Het was niet de bedoeling om de gewone vreemdelingen zoals seizoensarbeiders en arbeidsmigranten iets in de weg te leggen. Als men er betrouwbaar uitzag en voldoende mogelijkheden had om werk te vinden, was men hier welkom. Het was de bedoeling dat de kwaadwillenden en ongewensten (lees: armoedzaaiers en zigeuners) weggestuurd konden worden.

In 1849 werd de Rijkswet op het Nederlanderschap ingesteld. Deze wet hield in dat alleen kinderen van Nederlandse vaders en natuurlijke kinderen van Nederlandse moeders de Nederlandse nationaliteit kregen. Dit had tot gevolg dat heel veel generaties nakomelingen van immigranten alleen Nederlander konden worden door naturalisatie. Hier werd een uitzondering op gemaakt als kleinkinderen van immigranten anders stateloos zouden zijn.
________________________________________________________________________________
Bronnen:

Geen opmerkingen:

Een reactie posten